Terug naar de beginpagina

Dromen in de tweede eeuw:

De Oneirokritika van Artemidoros van Daldis 


Jaap-Jan Flinterman

Galapas: Orgaan van de opleiding Geschiedenis van de Vrije Universiteit 25.4 (april 2005)



Inleiding

Een nadere kennismaking met Artemidoros

Droomverklaring als historische bron

Droomverklaring en religie

Tot besluit



Inleiding


En ik weet van iemand, een Griek, die droomde dat hij onthoofd was. Hij verkreeg het Romeinse burgerrecht en raakte op die manier zijn vroegere naam en status kwijt.
 
De bovenstaande regels zijn afkomstig uit de Oneirokritika (II 35), een handleiding voor toekomstvoorspelling aan de hand van dromen. Het geschrift dateert uit de tweede eeuw van onze jaartelling en is van de hand van een Griekse auteur, Artemidoros. Het zal een kleine twintig jaar geleden zijn dat ik door een Duitse collega op deze passage werd geattendeerd. De opwinding die zich destijds van mij meester maakte, is niet gemakkelijk navoelbaar. Enige toelichting is dus geboden.
            In de Vroege Keizertijd – de periode waarin de geciteerde regels aan het papyrus werden toevertrouwd – Lucius Vibullius Hipparchos Tiberius Claudius Attikos Herodes - foto: Haiduc, Wikimedia Commons, <http://commons.wikimedia.org/wiki/File:Herodes_Atticus_-_bust_-_Athens_Museum.jpg>verbreidde het Romeinse burgerrecht zich geleidelijk onder de bewoners van de provincies van het rijk. Steeds vaker waren leden van de maatschappelijke bovenlaag in het bezit van dat burgerrecht, een gegeven waarvoor zij trots uitkwamen door als echte Romeinen drie namen te voeren. Nieuwbakken Romeinen van Griekse afkomst plakten een Romeinse voornaam en geslachtsnaam voor hun Griekse naam. Dit resulteerde in vreemde combinaties als Tiberius Claudius Hipparchos, Titus Flavius Menandros of Publius Aelius Antiochos. In inscripties pronkten zulke lieden maar al te graag met hun geprivilegieerde status, en als ze bovendien nog konden bogen op het lidmaatschap van de ridder- of senatorenstand (of op een verwant die daartoe behoorde), werd ook dit niet onvermeld gelaten. De betrokkenen ervoeren klaarblijkelijk geen spanning tussen hun Griekse identiteit, waaraan zij zeer gehecht waren, en hun status als Romeins burger of lid van de rijksaristocratie. Formeel was daartoe ook geen reden: bezit van het Romeinse burgerrecht was verenigbaar met burgerschap van een Griekse stad.
            Het bronnenmateriaal waarop onze kennis van de Griekstalige provincies van het Romeinse rijk is gebaseerd, blinkt niet uit door representativiteit of pluriformiteit; het weerspiegelt de gevoelens en opvattingen van de maatschappelijke bovenlaag, die profiteerde van de Romeinse heerschappij en die zich daarmee in de regel dan ook sterk identificeerde. Om dissidente geluiden te vernemen moet men goed zoeken. Maar in het kader van mijn promotieonderzoek was ik gestuit op een brief die is overgeleverd op naam van een eerste-eeuwse filosoof-wonderdoener, Apollonios van Tyana (Epp. Apoll. 71). De brief is gericht aan de 'Ioniërs', de Griekse inwoners van het westen van Klein-Azië, en de auteur kapittelt de geadresseerden vanwege het aannemen van Romeinse namen. Wie zo handelt, aldus de briefschrijver, snijdt de band met zijn voorouders door en kan niet langer als Griek worden beschouwd. Een terecht gezaghebbende Britse geleerde heeft deze brief nog niet zo lang geleden afgedaan als vrucht van literaire 'Spielerei'. Zelf kijk ik er wat anders tegenaan: ik neig ertoe het epistel te beschouwen als verwoording van een sentiment dat onder bredere lagen van de bevolking van de Griekstalige provincies kan hebben geleefd: dat bezit van Romeins burgerrecht en Griekse identiteit onverenigbare grootheden waren.
            Het was precies dit sentiment dat ik bij Artemidoros verwoord vond. Formeel gesproken was zijn uitspraak onjuist. Verkrijging van het Romeinse burgerrecht impliceerde niet dat de gelukkige zijn Griekse naam of zijn status als burger van een Griekse stad kwijtraakte; het betekende alleen dat hij er twee Romeinse namen en de status van Romeins burger bij kreeg. Maar Artemidoros had aan zulke formaliteiten lak. Voor hem was wie Romeins burger werd geen Griek meer. Hij dacht er dus hetzelfde over als de schrijver van de op naam van Apollonios overgeleverde brief. Ik vatte dat op als een aanwijzing dat het te gemakkelijk was die brief af te doen als hersenspinsel van een excentriekeling. Bovendien had ik geleerd dat wie zich bezighoudt met de Vroege Keizertijd en op zoek is naar onverwachte gezichtspunten, Artemidoros' droomboek niet ongelezen kan laten.
            De Oneirokritika is in meerdere moderne talen vertaald. Een Nederlandse vertaling ontbrak tot voor kort. In 2003 werd in deze leemte voorzien door Simone Mooij-Valk, die al eerder haar sporen had verdiend met vertalingen van Grieks(talig)e auteurs uit de Keizertijd als Marcus Aurelius (Persoonlijke notities) en Arrianus (Alexander de Grote: Het verhaal van zijn verovering van het Perzische rijk). Op voorhand was dus te verwachten dat zij kwaliteit zou leveren, en ik besloot in het kader van het derdejaars werkcollege Oude Geschiedenis van voorjaar 2004 een centrale plaats in te ruimen voor Artemidoros. Dat voornemen was gebaseerd op mijn eigen bescheiden ervaring met de waarde van Artemidoros' geschrift als bron; ik werd daarin gesterkt door het feit dat de grote Britse oudhistoricus Fergus Millar de Oneirokritika heeft gekarakteriseerd als 'a priceless source for the aspirations and realities of imperial society'. In het eerste deel van deze bijdrage zal ik betogen dat op Millars oordeel niets valt af te dingen. Daartoe moet ik om te beginnen de schrijver, zijn werk en de beroepspraktijk waaruit het is voortgekomen – het voorspellen van de toekomst aan de hand van dromen – nader introduceren bij de lezers van Galapas. In de tweede helft van het artikel zal ik dan ingaan op een paar opvallende kenmerken van wat je de 'theologie' van Artemidoros zou kunnen noemen: zijn opvattingen over de natuur en de activiteit van de god(en). Daarbij zal ik proberen de eigenaardigheden in dezen van Artemidoros te relateren aan de geschiedenis van de heidense religiositeit in de Vroege Keizertijd.
 

Een nadere kennismaking met Artemidoros

Over Artemidoros weten we nauwelijks meer dan wat we uit de Oneirokritika kunnen opmaken. Dat is in de eerste plaats dat hij in de tweede eeuw van onze jaartelling heeft geleefd. De laatste dateerbare gebeurtenis waarvan hij melding maakt, is de dood van keizer Hadrianus c.q. de troonsbestijging van diens opvolger Antoninus Pius, in 138 n.Chr. Maar hij laat ook een enkele naam vallen die eerder in de richting van de jaren zestig of zeventig van de tweede eeuw wijst. En een beroemde tijdgenoot, de arts en medisch publicist Galenus, noemt in een geschrift uit de tweede helft van de jaren zeventig een Artemidoros die expert is in toekomstvoorspelling aan de hand van de vlucht van vogels. Vrij algemeen wordt verondersteld dat dit de auteur van de Oneirokritika is; Efese, straat van het theater naar de haven, foto: wwww.livius.orgkennelijk was Artemidoros deskundig in meer methodes van toekomstvoorspelling dan droomverklaring alleen. Zijn actieve jaren vallen dus waarschijnlijk tijdens de regeringen van de keizers Antoninus Pius (138-161) en Marcus Aurelius (161-180). Het grootste deel van zijn leven bracht hij door in de stad Efese, aan de Klein-Aziatische westkust, de Romeinse provincie Asia: het kerngebied van de Griekse wereld in de Vroege Keizertijd. Uit piëteit jegens de geboorteplaats van zijn moeder, het in de omgeving van Efese gelegen stadje Daldis, afficheert hij zich overigens als 'Artemidoros van Daldis'. Een huismus was hij niet: hij beroept zich erop (I prooemium) dat hij voor het onderzoek dat aan zijn droomboek ten grondslag ligt, 'in Griekenland en Klein-Azië, in Italië en op de grootste en dichtstbevolkte eilanden, in steden, op feestdagen en jaarmarkten' zijn oor te luisteren heeft gelegd bij waarzeggers, die hem vertelden 'over oude dromen en hoe ze uitgekomen zijn'.
            Naar eigen zeggen heeft Artemidoros veel geschreven, over uiteenlopende onderwerpen. Maar de Oneirokritika is het enige geschrift van zijn hand dat de tand des tijds heeft weerstaan. Het telt vijf 'boeken', waarvan de eerste drie zijn opgedragen aan een zekere Cassius Maximus, een heer van stand van wiens intellectuele en morele peil Artemidoros hoog opgeeft. Van die eerste drie boeken vormen de eerste twee een eenheid. In het eerste boek gaat Artemidoros van start met een theoretische inleiding, en daarna volgt een systematische behandeling van dromen en hun interpretatie. Hij begint met dromen over geboorte en eindigt met dromen over de dood. Daartussenin passeren de verschillende fasen van het menselijk leven en verschillende menselijke activiteiten de revue. Boek III heeft het karakter van een supplement, waarin tot dusverre niet behandelde dromen, die bij de systematische behandeling in de boeken I en II buiten de boot waren gevallen, aan de orde komen. De boeken IV en V zijn niet langer opgedragen aan Cassius Maximus, maar aan Artemidoros' eigen gelijknamige zoon, die door zijn vader in het vak wordt geschoold. Boek IV begint met een nieuwe theoretische inleiding, en daarna concentreert de schrijver zich op de betekenis van specifieke droomelementen. Boek V, tenslotte, is een collectie dromen, inclusief beschrijvingen van de vervulling van de daarin vervatte voorspellingen.
 

Droomverklaring als historische bron

Niet alle dromen voorspellen de toekomst, en niet alle dromen die naar de toekomst vooruitwijzen, interesseren Artemidoros in gelijke mate. In de theoretische inleiding in boek I van de Oneirokritika (I 1-12) onderscheidt de auteur verschillende typen dromen. Om te beginnen maakt hij een onderscheid tussen échte, voorspellende dromen (oneiroi) en 'voorstellingen in de slaap' (enhypnia). Anders dan een echte droom verwijst een 'voorstelling in de slaap' niet naar een toekomstige, maar naar een actuele situatie; ze verraadt het nodige over de preoccupaties van de dromer in het heden, maar bevat geen voorspelling van de toekomst. Daarmee is deze categorie dromen voor Artemidoros oninteressant. Maar ook sommige voorspellende dromen zijn voor hem als droomverklaarder minder belangwekkend. Zo maakt hij wel melding van oraculaire dromen (chrēmatismoi), maar een definitie daarvan geeft hij niet. Gelukkig voorziet een andere auteur (Macrobius, Commentarium in Somnium Sciptionis I 3.8) in die leemte:

Van een oraculaire droom spreken we wanneer in de slaap een ouder of een eerbiedwaardig of gezaghebbend persoon of een priester of zelfs een god ronduit vertelt of iets wel of niet zal gebeuren of dat iets gedaan of juist nagelaten moet worden.
 
Dromen waarin een eenduidige boodschap wordt afgegeven, interesseren Artemidoros kennelijk maar matig. Hetzelfde geldt voor de zogenaamde 'aanschouwelijke dromen', 'waarvan de vervulling lijkt op het droomgezicht' en die 'onmiddellijk en zonder het geringste uitstel in vervulling [gaan]'. Aan een automobilist die zich heeft voorgenomen de volgende morgen via de A 10 van het Oostelijk Havengebied naar Buitenveldert te rijden, maar die 's nachts droomt dat hij bij het knooppunt Watergraafsmeer bij een ongeluk betrokken raakt en daarom 's ochtends toch maar de route door de stad neemt, valt voor een droomverklaarder natuurlijk weinig eer te behalen. Dat ligt heel anders bij de tweede categorie voorspellende dromen, de symbolische. Symbolische dromen verwijzen naar toekomstige situaties en gebeurtenissen door beelden die op het eerste gezicht raadselachtig zijn, en tussen de droom en de vervulling van de daarin geïmpliceerde voorspelling verstrijkt enige tijd. De raadselachtigheid van de droom geeft de dromer een reden om een droomuitlegger te consulteren, het tijdsverloop geeft hem de kans dat te doen. Het zijn deze symbolische dromen waarnaar Artemidoros' professionele belangstelling vóór alles uitgaat.
            De in de droom verpakte boodschap is namelijk gecodeerd, en het is aan de droomuitlegger de boodschap te decoderen. Het basisprincipe van deze ontraadseling wordt gevormd door de overeenkomst tussen een droom of een onderdeel daarvan en de voorspelling; bij veel interpretaties komen ook beeldspraak of figuurlijke woordbetekenissen te pas. Dit kan geïllustreerd worden aan de hand van wat Artemidoros te berde brengt over de droom dat men wordt onthoofd; de passage waarmee dit artikel begon, was daarvan een speciaal geval. Het hoofd dient onder andere als symbool voor ouders, 'doordat het de oorzaak van het leven is,' en voor kinderen, 'door de gelijkenis van de gelaatstrekken.' Voor slaven verwijst het hoofd veelal naar hun meester, 'omdat het hoofd de meester van het lichaam is.' Verder kan het hoofd ook staan voor kapitaal ('hoofdsom') en voor burgerrechten: 'we noemen iemand die geen burgerrechten heeft immers "zonder hoofd".' Onthoofding voorspelt dus verlies van ouders, kinderen, kapitaal of burgerrechten, maar voor een slaaf kán het betekenen dat hij zijn meester zal kwijtraken, dat wil zeggen zal worden vrijgelaten.
            Het voorbeeld laat zien dat de interpretatie van dromen een zeer flexibel procédé is. Voor het maken van een verantwoorde keuze uit verschillende mogelijkheden is het volgens Artemidoros noodzakelijk dat de droomuitlegger op de hoogte is van de etnische, regionale en locale gebruiken van de dromer; en dat hij zich heeft geïnformeerd over diens beroep, familie, vermogenssituatie, lichamelijke toestand en leeftijd. Mummieportret van een vrouw uit Romeins Egypte, 2de eeuw n.Chr. - foto: www.vroma.orgElk van die variabelen kan van invloed zijn op de betekenis van een droom. Ook het geslacht van de dromer is van belang (II 5):
  
[Dromen over] colliers, kettingen, oorhangers, kostbare stenen en alle sieraden die vrouwen om hun hals hangen, zijn gunstig voor vrouwen, want aan ongetrouwden voorspellen ze een huwelijk, aan kinderlozen kinderen, en aan vrouwen die man en kinderen hebben vermeerdering van bezit en grote overvloed. Zoals deze dingen immers een sieraad zijn voor vrouwen, zijn man en kinderen en rijkdom het ook (vrouwen zijn van nature immers net zo dol op rijkdom als op sieraden) en de sieraden hangen om hun hals, net als man en kinderen. Voor een man betekenen deze sieraden listen en lagen en grote wanorde in zijn zaken, niet vanwege het materiaal, maar vanwege de vorm en de manier waarop ze bewerkt zijn.
 
Het onderscheid tussen de seksen (en het hiërarchische karakter daarvan) komt eveneens duidelijk tot uiting in de waarde van mannelijkheid c.q. vrouwelijkheid als droomsymbolen (IV 10): 'In dromen over kinderen zijn jongens gunstig, meisjes ongunstig en allebei betekenen ze zorgen.' Hiermee correspondeert dan weer dat tarwe en gerst droomsymbolen zijn voor respectievelijk mannelijke en vrouwelijke nakomelingen; ook rechts en links staan voor respectievelijk mannelijkheid en vrouwelijkheid. Wie het nog niet wist begrijpt inmiddels wel dat Artemidoros' tijdgenoten tarwebrood prefereerden boven gerstepap en wat van links kwam onheilspellender vonden dan wat van rechts naderde.
            Uit de tot dusverre behandelde voorbeelden zal duidelijk zijn geworden dat de wijze waarop Artemidoros dromen weergeeft, weinig informatief is. Het gaat hem niet om de droom op zich, maar om de elementen daaruit die potentieel betekenisvol zijn, mede in het licht van de persoonlijke kenmerken en situatie van de dromer. Wie geïnteresseerd is in natuurgetrouwe droomverslagen uit de tweede eeuw, kan zich beter verdiepen in de Gewijde vertellingen van de redenaar Publius Aelius Aristides: een door de auteur samengestelde selectie uit een 'nachtboek' dat meer dan een kwart eeuw omspande, bedoeld als hommage aan Aristides' beschermer en leidsman, de genezende en reddende god Asklepios. De hierboven geciteerde karakterisering van de Oneirokritika als 'a priceless source for the aspirations and realities of imperial society' heeft dan ook niet zozeer betrekking op de droomverslagen, maar op de droomverklaringen die het geschrift behelst. In de eerste plaats geven Artemidoros' voorspellingen ons inzicht in de ambities, aspiraties, angsten en frustraties van de cliënten die zich tot hem en zijn collega's wendden. En in de tweede plaats gunnen de symboolwaarde die aan droomelementen wordt toegekend (mannelijk = gunstig/vrouwelijk = ongunstig), en de manier waarop symbolen en realiteiten worden gecombineerd (tarwe = jongetjes/gerst = meisjes; rechts = mannelijk/links = vrouwelijk), ons een blik op het wereldbeeld van de droomverklaarders en hun klanten. Zo komt via de droomverklaringen van Artemidoros indirect een veel bredere groep van zijn tijdgenoten aan het woord dan elders in ons bronnenmateriaal.
 
 

Droomverklaring en religie

In het voorafgaande hebben we gezien dat volgens Artemidoros een goede droomverklaring onmogelijk is zonder kennis van de persoonlijke kenmerken en situatie van de dromer. Deze overtuiging hangt samen met de dominante visie op de herkomst van symbolische dromen in de Oneirokritika. Hoewel Artemidoros zo nu en dan enige ruimte laat voor de opvatting dat voorspellende dromen door de god(en) worden gezonden, lijkt hij er toch vanuit te gaan dat symbolische dromen geproduceerd worden door de ziel van de dromer, 'die van nature voorspellende vermogens bezit.' De symbolen waarvan de ziel zich bedient bij het coderen van de droomboodschap, kunnen per individu verschillen en worden mede bepaald door het sociale en culturele milieu van de dromer. Zo merkt Artemidoros op dat literair getinte dromen alleen voorkomen bij mensen die literair onderlegd zijn. Daaraan mag je, zo stelt hij bij die gelegenheid expliciet (IV 59), toch wel de conclusie verbinden 'dat dromen producten zijn van de ziel en dat ze niet ontstaan door een invloed van buitenaf.' De 'verklaring' voor de 'voorspellende vermogens' van de ziel is voor Artemidoros waarschijnlijk gelegen in de 'holistisch' aandoende gedachte dat al het bestaande deel uitmaakt van een groot geheel (Grieks: to holon), waarvan de delen onderling verwant zijn en elkaar wederzijds beïnvloeden.
            Om het optreden van symbolische dromen te verklaren hoeft Artemidoros dus niet terug te grijpen op de goden van het Griekse pantheon. Sarapis, Musei Vaticani - foto: Marie-Lan Nguyen ('Jastrow'), Wikimedia Commons <http://commons.wikimedia.org/wiki/File:Serapis_Pio-Clementino_Inv689_n2.jpg>Overigens erkent hij, zoals we eerder gezien hebben, het bestaan van oraculaire dromen, waarin goden zich rechtstreeks tot de dromer richten; sterker nog, hij claimt dat hij zelf de opdracht om de Oneirokritika te schrijven in zo’n droom heeft ontvangen van de god Apollo. Ook twijfelt hij niet aan het feit dat goden als Asklepios en Sarapis mensen in dromen een geneeswijze kunnen voorschrijven. Wel acht hij in dergelijke gevallen een waarschuwing op haar plaats. Auteurs van verzamelwerken met zogenaamd door de goden voorgeschreven therapieën 'schrijven niet op wat door anderen gedroomd is, maar wat ze zelf verzinnen.' En de goden vragen om een voorspellende droom kan op zich geen kwaad, maar voorzichtigheid is geboden. In de eerste plaats dient men zich te onthouden van het branden van wierook, het uitspreken van geheime spreuken en het al te opdringerig stellen van vragen. Zulke magische praktijken, waarbij een mens probeert de goden zijn wil op te leggen, getuigen namelijk van gebrek aan respect voor de goden (IV 2):
 
Het zou immers belachelijk zijn als de goden degenen die hen willen dwingen, zouden verhoren, terwijl verstandige mensen niets doen voor degenen die met dwang en geweld proberen iets gedaan te krijgen, maar de bescheidenen ter wille zijn.
 
In de tweede plaats zijn zulke 'dromen op verzoek' een bron van misverstanden, doordat de dromer zijn droom opvat als een rechtstreeks antwoord op zijn vraag in plaats van als een boodschap die volgens de regels van de kunst dient te worden gedecodeerd. Artemidoros grenst zo zijn eigen beroepspraktijk nadrukkelijk af van twee in zijn tijd buitengewoon populaire rituele praktijken: enerzijds de cultus van de genezende goden Asklepios en Sarapis, waarbij incubatie – de hulpzoeker legt zich in het heiligdom te slapen in de hoop een droom van de god te ontvangen –  een centraal onderdeel van het ritueel vormde; en anderzijds magische methodes om een god zover te krijgen dat hij je in een droom verschijnt, methodes die we uit de zogenaamde magische papyri goed kennen. 
        Hoewel Artemidoros enige afstand bewaart tot verschijnselen als oraculaire dromen, in dromen voorgeschreven therapieën en 'dromen op verzoek', ontbreken de goden bepaald niet in de OneirokritikaAphrodite - foto: Shawn Lipowski (GNU) <http://commons.wikimedia.org/wiki/File:Aphrodite_of_Milos.jpg>Met name van boek II is een respectabel deel (II 34-40) ingeruimd voor dromen over goden. Aan deze dromen heeft Robin Lane Fox enkele pagina's van Pagans and Christians gewijd. In deze veelgelezen studie uit 1986 over de religieuze ontwikkelingen in de Grieks-Romeinse wereld van de tweede tot de vierde eeuw van onze jaartelling, zet de auteur zich af tegen de gedachte dat in de Vroege Keizertijd van de traditionele stedelijke culten voor de heidense goden weinig meer restte dan een rituele façade, verstoken van werkelijke religieuze beleving. In het vierde hoofdstuk, 'Seeing the gods' stelt Lane Fox zich ten doel 'to restore to the Christians' contemporaries their visions and sightings, beliefs beside their ceremonies.' Aan de hand van de nachtelijke ontmoetingen met goden van Artemidoros' cliënten betoogt hij dat heidenen zich een levendige voorstelling maakten van hun goden, een voorstelling die geheel strookte met de traditionele iconografie. Hierop valt weinig af te dingen. Artemidoros' tijdgenoten droomden inderdaad over de traditionele goden zoals die overal afgebeeld waren: Poseidon met zijn drietand, Helios op zijn wagen, Herakles met zijn knots en zijn leeuwenhuid, Afrodite topless enzovoort.
            Lane Fox gaat echter verder: hij verbindt aan de door Artemidoros beschreven dromen gevolgtrekkingen met betrekking tot wat Artemidoros en zijn klanten geloofden. Zo is hij van mening dat de vermelding in de Oneirokritika van dromen over het als gasten onthalen van goden erop wijzen dat Artemidoros 'accepted the tales of the gods' presence in disguise' en dat 'his acceptance is a significant support for men's living belief in it.' Dit is geen acceptabele redenering. Ik zal me onthouden van generalisaties over wat Artemidoros' klanten geloofden. Maar voor Artemidoros zélf als droomverklaarder zijn de goden waarover zijn cliënten dromen, cultureel bepaalde droomsymbolen. Zij maken deel uit van de in zijn samenleving gebruikelijke voorstellingen, waarvan de ziel zich bedient bij het inkleden van een voorspelling en die men bij een interpretatie volgens de regels van de kunst dus dient te verdisconteren. Zo'n voorstelling hoeft geen realiteit te bezitten om als symbool te dienen. 'De goden verschijnen in menselijke vorm en gestalte, omdat wij [Grieken] denken dat ze in uiterlijk op ons lijken' (II 44). In Egypte, waar men zich de goden in dierengedaante voorstelt, heeft een droomverklaarder rekening te houden met een andersoortig tekensysteem.
            Dit inzicht in de culturele bepaaldheid van godsvoorstellingen mondt bij Artemidoros zelf uit in een naar monotheïsme tenderend syncretisme. In de theoretische inleiding van boek I legt hij uit dat er naast bijzondere, etnisch specifieke gebruiken ook gebruiken bestaan die alle mensen gemeen hebben. Daartoe behoren bijvoorbeeld 'kinderen grootbrengen, niet bestand zijn tegen de verleidelijkheid van vrouwen en de omgang met hen, overdag wakker zijn en 's nachts slapen'. Daaronder valt ook (I 8):
 
… ontzag hebben voor de goden en ze vereren. Er is immers geen volk op aard dat geen goden heeft, zoals er ook geen volk is zonder koning. Ze vereren weliswaar allemaal andere goden, maar ze zijn allen herleidbaar tot hetzelfde.
 
Voorzover ik kan overzien, is dit het enige stukje 'theologie' dat Artemidoros heel duidelijk voor zijn rekening neemt. Toch beriep de man die deze formulering aan het papyrus toevertrouwde, zich in hetzelfde geschrift op de verschijning in een droom van de god Apollo, en wel in de specifieke gedaante waarin deze in Daldis werd vereerd. Artemidoros' bewering dat hij zijn droomboek in opdracht van een god schreef, is wel afgedaan als een kwestie van literaire conventie. Maar laten we de ongemakkelijke combinatie van naar monotheïsme tenderend syncretisme en traditioneel polytheïsme niet proberen op te heffen door een van beide componenten te elimineren. Laten we accepteren dat Artemidoros de relativiteit van traditionele voorstellingen inzag, maar niet de noodzaak ze op te geven. Daarmee leren we waarschijnlijk meer over heidense religiositeit in de tweede eeuw dan door van hem te eisen dat hij consequent is.
 
 

Tot besluit

Ik heb bij het werk aan Artemidoros veel hulp gehad van Johannes Bilbija, voormalig student-assistent Oude Geschiedenis, die het in de tekst vermelde derdejaars werkcollege grotendeels heeft voorbereid. Ook de deelnemers aan dat college ben ik dank verschuldigd. In bovenstaand artikel is materiaal verwerkt dat ik eerder heb gebruikt in het openingscollege van de opleiding Geschiedenis in september 2004. Slavernij in de Oneirokritika, een onderwerp waarbij ik tijdens dat college uitvoerig heb stilgestaan,  komt aan de orde in een artikel dat deze zomer in Spiegel Historiael [40 (2005) 246-251] zal verschijnen en dat vergezeld zal gaan van een beknopte bibliografie over Artemidoros als historische bron. Hier wil ik volstaan met de bibliografische gegevens van de Nederlandse vertaling van de Oneirokritika, waarvan ook voor dit artikel dankbaar gebruik is gemaakt: Artemidoros van Daldis, Droomboek. Vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien door Simone Mooij-Valk, 's-Hertogenbosch: Uitgeverij Voltaire, 2003.

Terug naar de beginpagina