Unless
indicated otherwise, the photos on this webpage were made by Jaap-Jan
Flinterman, who hereby allows you to download, copy, re-format and
redistribute them, provided that
A
message
telling me where and how photos are used is much appreciated.
If
you want to use a photo outside the internet, you'll need a written
permission.
|




Afgesproken
werd dat de hoofdmacht naar huis zou gaan en niet bij het gevecht zou
blijven.
Dat was zo geregeld om te voorkomen dat ze in de verleiding zouden
komen in te
grijpen als ze moesten toezien hoe hun voorvechters dreigden te
verliezen.
Onder deze voorwaarden trokken zij zich terug.
In 430 v.Chr. viel een
expeditie van 4300 man op 100 schepen onder commando van de Atheense
politiek-militaire leider Pericles (afbeelding)
Prasiaí aan; de stad werd ingenomen
en
verwoest (Thucydides
2.56.5-6). In
425/4 v.Chr. viel Thyréa hetzelfde lot ten deel door toedoen van de
Atheense
veldheer Nicias (Thucydides
4.56-57). In 414 v.Chr. was Prasiaí opnieuw
aan de beurt: het territorium van de stad werd aangevallen en
geplunderd (Thucydides
6.105.2 en 7.18.3), nadat eerder dat
jaar de Argiven al de Thyreátis hadden gebrandschat (Thucydides
6.95.1).
In diezelfde eeuw bezat
Herodes
Atticus (afbeelding),
Atheens
plutocraat en Romeins consul, een fraaie villa bij
Thyréa. Zulke villa’s
combineerden meestal een economische met een recreatieve functie: het
was er
aangenaam toeven, maar de noordelijke vlakte van Kynouría bood óók
goede
mogelijkheden voor de teelt van uiteenlopende gewassen. Herodes Atticus
was
puissant rijk en besteedde zijn ruime financiële middelen aan
verschillende grote
bouwprojecten, onder andere het odeion
(gehoorzaal) aan de voet van de Atheense acropolis. ... in de omgeving van ÁstrosOngeveer vier kilometer ten noordwesten van
Ástros (satellietfoto)
liggen, rechts van de weg naar Trípoli, de resten van een villa van de
Atheense miljardair Herodes
Atticus
(101/3-177/9 n.Chr.), een van de rijkste en aanzienlijkste mannen van
het
Romeinse rijk van de tweede eeuw en
prominent vertegenwoordiger van de zgn. Tweede Sofistiek.
Al in de eerste helft van de 19de eeuw werd het terrein bezocht door
reizigers als de Brit Leake en de Fransman Blouet; begin 20ste eeuw
werd het op basis van inscripties geïdentificeerd als de locatie van
een
villa van Herodes. Sinds 1980 is deze systematisch opgegraven
door
Griekse archeologen.
Het centrale,
tevens grootste deel van het complex
werd
gevormd door een langwerpige omsloten tuin met
een west-oost-oriëntatie (eigenlijk is het noordwest-zuidoost,
maar we gaan het niet te moeilijk maken en noemen de lange zijden de
noord- c.q. zuidkant en de korte zijden de west- c.q. oostkant). De
tuin
was aan drie zijden door een zuilengalerij omgeven; de vloeren van de
zuilengalerij
waren gedecoreerd met mozaïeken. Inclusief de
zuilengalerij meet dit deel van
het complex ca. 80 bij ca. 32 meter. Een kunstmatige waterloop rond de
tuin werd gevoed vanuit een brongebouw ('nymphaeum') aan de vierde,
westelijke zijde.
Aan de oostzijde van de tuin bevonden zich achter de zuilengalerij een
eetzaal en
woonvertrekken, met daarachter weer een zogenaamd 'Gartenstadium', dat
zich naar het oosten toe opende met, opnieuw, een zuilengalerij. Van
daaruit moeten Herodes en zijn gasten een schitterend
uitzicht gehad hebben over de vlakte van de Thyreátis en de Argolische
golf.
Ten noorden van de omsloten tuin lag een bouwwerk dat door de opgravers wordt aangeduid als 'Repräsentationsbasilika'; het stamt uit de tweede helft van de eerste eeuw n.Chr. en is het oudste gedeelte van de villa. Ten westen van de tuin lag een tweede basilica. Aan de zuidzijde van het complex lagen verschillende gebouwen; het meest oostelijke daarvan (eveneens een basilica) was volgens de opgravers een heiligdom voor Antinoüs, de jeugdige geliefde van keizer Hadrianus. Antinoüs was in het najaar van 130 tijdens een keizerlijk bezoek aan Egypte in de Nijl verdronken en door de ontroostbare keizer onder de goden opgenomen. De site is (nog) niet voor publiek toegankelijk, maar een wandeling langs het hek geeft een redelijke indruk van het complex, zoals blijkt uit de foto hieronder, die in 2008 is genomen. De muurresten op de voorgrond zijn restanten van het heiligdom voor Antinoüs. Tijdens
een bezoek in 2011 was de site nog steeds voor het publiek
gesloten, maar er werd gewerkt aan een overkapping die de villa
toegankelijk moet maken als openluchtmuseum. De overkapping in aanbouw
maakt het complex er niet fotogenieker op: de resten van de bouwwerken
worden ontsierd door een woud van gele metalen stangen en het geheel
wordt gedomineerd
door een bouwkraan. Maar het is natuurlijk goed nieuws dat aan
openstelling wordt gewerkt. Onderstaande
foto is genomen vanaf de noordelijke omheining. Op de voorgrond de
resten van de 'Repräsentationbasilika'; de gele stangen op de
achtergrond zijn waarschijnlijk bestemd voor de overkapping van de
zuilengalerijen die de centrale
tuin omringden.
Op
de foto hieronder de apsis van de westelijke basilica. Op de
achtergrond de bouwkraan en de gele stangen die de zuilengalerijen rond
de centrale tuin markeren
Veel
informatiever foto's dan deze zijn gemaakt door mensen die
toestemming hadden om aan gene zijde van het hek rond te lopen of die
de
opgraving hebben bezocht toen er nog geen hek omheen stond. Zulke
foto's kun je bijvoorbeeld vinden in de Classical
archaeological image collection van de Universiteit van
Aarhus in Denemarken (zoeken op 'Loukou') of op de website
van Dr. Heinz Schmitz
(doorscrollen naar 'Eva Dolianon Loukous'). Onderstaande foto,
die aan deze website is ontleend, toont de omsloten tuin,
vanuit
het oosten gezien. Nog meer foto's hier: een
pdf-bestand met foto's dat deel uitmaakt van de site van Parálio
Ástros, www.astrosparalio.gr (drie foto's genomen vanuit een hoge
positie die een goed beeld
van de
plattegrond van de site geven, en twee foto's van mozaïeken). Groen van
jaloezie werd ik bij het bekijken van deze reisblog
van
18 mei 2011: "There was a tall fence all around the site but the main
gate was open with an unlocked padlock hanging on it. There was nobody
on the site so we went in and spent some time looking around." Mooie
foto's van de Repräsentationsbasilika en van de centrale tuin. Wel
verontrustend is natuurlijk dat (i) het terrein klaarblijkelijk
volstrekt onbewaakt was; en (ii) de schrijvers van de reisblog geen
enkele activiteit op de site konden waarnemen ("It was quite obvious
that no work had been done on the site for some time so it is anyone's
guess when it will be finished.").
Zelf was ik er begin augustus 2011, en dan kun je gebrek aan activiteit
toeschrijven aan de bouwvakvakantie. Maar 18 mei? Hopelijk wordt
Herodes' villa niet een van de slachtoffers van de penibele situatie
van de Griekse staatsfinanciën.
Jennifer
Tobin weet in haar studie over Herodes Atticus te
vertellen
dat op de site een kalkoven heeft gestaan; in de loop der
tijden - de installatie werd pas in 1960 buiten bedrijf gesteld - zal
daarin wel
heel wat beeldhouwwerk zijn verdwenen. (Inmiddels zijn kalkovens als
herinneringen aan een voorbij tijdperk ook al weer object van
nostalgische gevoelens geworden: zie de fraaie foto's hier.) Maar er is ook de
nodige sculptuur bewaard gebleven, bijvoorbeeld een cultusbeeld van
Antinoüs, afgebeeld als de god Dionysus (hier,
doorscrollen naar 'Astros'); portretten van keizer
Hadrianus, van Lucius Aelius Caesar, Hadrianus' beoogde opvolger
(overleden in 138
n.Chr.), van Herodes' pleegzoons Polydeucion en Memnon en van Herodes
zelf; een Attisch
wijreliëf voor Asclepius uit de vierde eeuw v.Chr.; en
replica's van
de zgn. Pasquinogroep
(een beeldengroep van Ajax met het lijk van Achilles of
Menelaüs met het lijk van Patroclus) en van een beeldengroep van
Achilles met de amazone Penthesileia. Deze twee replica's waren
opgesteld in respectievelijk de noordelijke en de zuidelijke
zuilengalerij van de omsloten tuin. Zes karyatiden in de gedaante van
amazones (foto hieronder)
droegen, zo vermoeden de opgravers, de oostelijke
zuilengalerij. Hun opstelling correspondeerde met de opstelling aan de
westzijde, in zes nissen in de wand van het nymphaeum, van vrijstaande
beelden, waarvan er één volledig is teruggevonden. Volgens een van
de opgravers, G.
Spyropoulos, ging het hier om de Saltantes Lacaenae
van Callimachus, een beroemde beeldhouwer uit de late vijfde eeuw
v.Chr. Herodes zou deze klassieke beelden van dansende Spartaanse
vrouwen, die
worden genoemd door Plinius (Naturalis
Historia
34.92),
hebben weten te bemachtigen en in zijn villa hebben opgesteld. Uit
publicaties van Spyropoulos overgenomen foto's (o.a. van het beeld van
de dansende vrouw en van de Achilles/Penthesileia-groep) zijn hier te vinden.
Klaarblijkelijk schrok Herodes er niet voor terug klassieke overblijfselen te verwijderen uit wat misschien wel de oorspronkelijke context was en over te brengen naar zijn villa. Het meest opzienbarende voorbeeld van die bereidheid wordt gevormd door een inscriptie met een lijst gesneuvelden van de Atheense fyle Erechtheis; het zou gaan om wat rest van de vermoedelijk tien grafstenen - één voor elk van de tien fylen - die ooit de laatste rustplaats van de Atheense gevallenen in de slag bij Marathon (490 v.Chr.) markeerden. Dit grafmonument is ca. 160 n.Chr. beschreven door Pausanias (Beschrijving van Griekenland 1.32.3). Herodes Atticus was zelf afkomstig uit de Atheense deme Marathon en geboortig uit een familie
die claimde af te stammen
van Miltiades, de Atheense bevelhebber in de beroemde
confrontatie
met een
Perzisch landingsleger in 490 v.Chr. Behalve de
inscriptie met de
lijst van gevallenen uit de fyle Erechtheis zijn op de site van de
villa ook fragmenten gevonden van twee andere soortgelijke inscripties
(zelfde vorm en opstelling van de letters). Op basis van deze vondsten
heeft G.
Spyropoulos de nogal avontuurlijke hypothese geformuleerd dat Herodes
het volledige grafmonument van Marathon naar zijn villa in Kynouría zou
hebben laten overbrengen; zo zou de grote sofist zijn Peloponnesische
villa met
een tastbare herinnering aan het roemrijke verleden van zijn vaderstad
en zijn geslacht hebben willen verrijken. Bij Marathon zou hij
vervolgens de grafheuvel hebben laten opwerpen die daar nog steeds valt
te bewonderen en die daar dus niet sinds de vijfde eeuw v.Chr., maar
sinds de tweede eeuw n.Chr. zou liggen. Enige scepsis ten aanzien van
deze reconstructie is voorlopig overigens wel op z'n plaats. Jona
Lendering stelde in een blog
van 12 september 2010 over deze aangelegenheid dat hij "would like to
see some additional
proof." Daar ontbreekt het tot dusverre aan: om aannemelijk
te maken dat de grafheuvel niet uit de vijfde eeuw v.Chr., maar uit de
tweede eeuw n.Chr, stamt, zou je tenminste de aanwezigheid in de
grafheuvel van materiaal uit de periode van de vierde eeuw
v.Chr. tot de eerste eeuw n.Chr. moeten kunnen aantonen. In een recent Griekstalig boekje, De grafstenen van de gevallenen
in de slag bij Marathon uit de villa van Herodes Atticus in Éva in
Kynouría
(Athene 2009), verwijst Spyropoulos op dit punt naar een
gedetailleerder analyse in een
boek dat nog moet verschijnen. Walter Ameling verwerpt in een artikel uit 2011
dit deel van de hypothese dan ook: hij ziet geen reden om aan te nemen
dat het monument bij Marathon rond het midden van de tweede eeuw n.Chr.
een geheel ander aanzien heeft gekregen.Ten aanzien van de authenticiteit van de inscriptie wil Ameling zich nog niet vastleggen, maar hij wijst er wel op dat de vorm en rangschikking van de letters het minder aannemelijk maken dat we met een kopie uit de Keizertijd te maken hebben. De gedachte dat in de villa bij Ástros inderdaad een van de tien grafstenen voor de Atheense gevallenen in de slag bij Marathon is gevonden, vindt momenteel vrij algemeen ingang (al ontbreken sceptische geluiden evenmin, zie bijvoorbeeld hier). De tekst van het epigram boven de lijst van gesneuvelden van de fyle Erechtheis is hier te vinden, met Engelse vertaling en een verwijzing naar de eerste serieuze wetenschappelijke publicatie van de tekst van de inscriptie [G. Steinhauer, Horos 17-21 (2004-2009), 679-692]. De inscriptie zoals gepubliceerd door Steinhauer heeft inmiddels ook het Supplementum Epigraphicum Graecum gehaald (SEG LVI 430); het SEG is het jaarlijks verschijnende verzamelwerk van alle nieuw gevonden Griekse inscripties (en van nieuwe publicaties over al langer bekende epigrafische teksten). Ook in een recent boek over Marathon gaat Steinhauer kort in op de vondst in de villa van Herodes. Hij lijkt geen twijfels te hebben over de authenticiteit van de inscriptie, maar de theorie van Spyropoulos over de grafheuvel bij Marathon neemt hij niet voor z'n rekening. Enkele voorstellen voor verbetering van de door Steinhauer gepubliceerde tekst en een aangepaste Engelse vertaling zijn te vinden in een bijdrage van Pierre MacKay aan deze blog van 9 april 2011; daar ook een behoorlijk scherpe zwartwitfoto en een tekening van de steen. Een Duitse vertaling tref je hier aan. De soevereine toeëigening van Atheens erfgoed door Herodes Atticus krijgt extra reliëf in het licht van zijn eigen begrafenis en van de wederwaardigheden van zijn grafmonument. Nog niet zo lang geleden is daarover een fascinerend artikel verschenen van de hand van Joseph L. Rife, waaraan ik de volgende gegevens ontleen. Herodes had zelf te kennen gegeven dat hij wilde worden begraven in Marathon, immers de buurtschap waar hij vandaan kwam. Maar toen de sofist eind jaren '70 van de tweede eeuw het tijdelijke voor het eeuwige verwisselde, respecteerden de Atheners zijn laatste wens niet: zij wilden de grote overledene een officiële begrafenis in de stad geven. Zo gezegd zo gedaan: het stoffelijk overschot werd geconfisqueerd, door de Atheense jeugd in processie naar de stad gedragen, en daar bijgezet bij het marmeren stadion dat Herodes zelf voor de Panathenaeïsche spelen van 140 n.Chr. had laten optrekken; volgens Rife liggen de resten van het grafmonument boven het stadion, op bijgaande afbeelding rechts. Tijdens
of kort na de begrafenis werd bij het graf een altaarsteen geplaatst,
gewijd aan 'Herodes, de heros
van Marathon'; als zodanig genoot de overledene
kennelijk cultische verering. Rife, die toen hij het artikel
schreef nog
niet op de hoogte lijkt te zijn geweest van de vondst in de villa bij
Ástros, merkt
terecht op dat de aanduiding 'heros van Marathon'
bij de voorbijgangers onvermijdelijk associaties moet hebben opgeroepen
met de Atheense hoplieten die in 490 v.Chr. in de strijd tegen de
Perzen waren gesneuveld. De tekst op de altaarsteen zou, zo moeten de
opstellers hebben gehoopt, ongeveer hetzelfde effect sorteren als een
begrafenis in Marathon zelf zou hebben gehad: een blijvende verbinding
van de nagedachtenis van Herodes met de herinnering aan de historische
slag.
Onbedoeld moet de inscriptie op de altaarsteen echter ook in
herinnering hebben geroepen hoe Herodes zich, minder dan
twintig
jaar eerder, aan het gedenkteken voor de gevallenen van Marathon had
vergrepen. De sofist was in zijn vaderstad altijd een controversiële
figuur geweest, en veel Atheners zullen niet al te rouwig zijn geweest
om zijn verscheiden. Onenigheid tussen grote delen van de Atheense
burgerij
en Herodes had nog in 174 tot een proces ten overstaan van keizer
Marcus Aurelius geleid. Ook met de privatisering en
verhuizing
naar de Peloponnesus van een nationaal monument hors catégorie had
hij vast niet uitsluitend bijval geoogst. Vermoedelijk binnen
enkele decennia na het overlijden van de sofist verwijderde iemand
Herodes' naam van de altaarsteen voor de heros
van Marathon; ook de naam van de oprichter van de steen werd
weggebeiteld. Wat
de onbekende bewogen heeft de beitel ter hand te nemen weten we niet,
maar het is een aantrekkelijke gissing dat hij onder andere aanstoot
had genomen aan Herodes' behandeling van het grafmonument van de échte
helden van Marathon. Overigens werd Herodes' sarcofaag kort na 250,
zo'n driekwart eeuw na zijn begrafenis, hergebruikt. "[H]is memory at
Athens had (...) shifted dramatically," concludeert Rife.Genoeg over Athene, terug naar Kynouría. Het museum van Astros, waar de meeste vondsten uit de villa van Herodes een onderdak hebben gevonden, is voor onbepaalde tijd gesloten; deze sluiting hangt vermoedelijk samen met een reorganisatie, noodzakelijk geworden door de talrijke nieuwe vondsten rond Herodes' villa sinds de jaren '80 van de vorige eeuw. Overigens is het museum ook zonder bezichtiging van de collectie antiquiteiten wel een bezoek waard, vanwege de prachtige tuin, en omdat het een historische plek op zich is: in 1823 kwam de tweede nationale vergadering van de Griekse opstandelingen tegen de Ottomaanse overheersing hier bijeen. Enkele
vondsten uit de omgeving van de villa van Herodes zijn te
bezichtigen in het Museum in Tripoli en in het Nationaal Archeologisch
Museum in Athene. Jona
Lendering maakte in Athene voor mij onderstaande foto van een reliëf
met een afbeelding van een jongeman
(het museumnummer is NM 1450; het reliëf meet 97 bij 68 cm). De vaas op
de zuil rechts is een zgn. loutrophoros;
dergelijke vazen werden regelmatig gebruikt als grafmarkering. Het
reliëf is dus vervaardigd na het overlijden van de afgebeelde jongen,
maar deze is door zijn nabestaanden geheroïseerd en als heros
object van cultische verering geworden. Onder andere zijn 'heroïsche'
naaktheid wijst in die richting, evenals de slang die hij met zijn
rechterhand voert, en de
wapenrusting waarvan de onderdelen over het reliëf verspreid zijn
afgebeeld. Het reliëf is vervaardigd in de decennia rond het midden van
de tweede eeuw, maar de kunstenaar heeft zich laten inspireren door
grafreliëfs uit de Hellenistische periode, zgn. 'heroënreliëfs'. Het
reliëf uit de villa van Herodes is geen grafreliëf, maar het zou wel
een functie als 'gedenksteen' gehad kunnen hebben. Het is een
aantrekkelijk vermoeden dat de afgebeelde jongen een
van de drie pleegzoons van
Herodes is, die alledrie op jeugdige leeftijd stierven en om wie
Herodes
rouwde alsof hij zijn eigen kinderen had verloren: Achilles, Memnon en
Polydeucion (Philostratus,
Levens
van de sofisten
558-9). Over de vraag of één van de drie is afgebeeld en
zo ja, wie, bestaat onder de
geleerden verschil van mening. Polydeucion lijkt op het eerste gezicht
de beste kandidaat,
omdat hij de enige pleegzoon
van Herodes is van wie wij weten dat hij het object van een
heroëncultus is geworden. Maar de
auteur van de meest recente
uitvoerige behandeling van het reliëf die mij bekend is,
kiest toch voor Achilles. Een van zijn argumenten is moeilijk
weerlegbaar: de afgebeelde jongen lijkt helemaal niet op Polydeucion,
van wie we talrijke portretten bezitten. Van Achilles hebben we geen
één portret over, maar de prominente aanwezigheid van wapens zou goed
passen bij een overledene die de naam
van de grootste Griekse krijgsheld voor Troje had gedragen.
Op
dezelfde hoogte als de villa van Herodes Atticus bevindt zich ter
linkerzijde van de weg naar Trípoli Moní
Loukoús,
volgens Daniël Koster 'een van de betoverendste kloosters van de
Peloponnesus'.
Het klooster is in de dertiende eeuw gesticht als mannenklooster; sinds
1946 wordt het bewoond en onderhouden door nonnen. Uit de volledige
naam van het klooster, Ιερά Μονή τής Μεταμορφώσεως τού Σωτήρος
Χριστού,
blijkt dat het is gewijd aan de Transfiguratie van Christus; vgl. voor
de orthodoxe iconografie van deze episode uit de evangeliën (Matteüs 17; Marcus 9; Lucas 9) dit fresco
in het Servische klooster Gračanica in Kosovo. De bijnaam van het
klooster, 'Loukoús', wordt in de regel in verband gebracht met het
Latijnse lucus,
'heilig
woud', maar hoe dit Griekse klooster aan een Latijnse bijnaam is
gekomen, blijft een raadsel. Misschien heeft het iets te maken met het
feit dat het klooster ten tijde van de Frankische overheersing van de
Peloponnesus enige tijd in handen van de (rooms-katholieke) Capucijner
orde is geweest.
![]() ![]() De
kerk van Moní
Loukoús stamt uit de twaalfde eeuw en schijnt hier al te hebben gestaan
voordat het klooster werd gesticht; er bestaan zelfs aanwijzingen dat
de twaalfde-eeuwse kerk een voorganger uit de vijfde of zesde eeuw
heeft gehad. Bij de verwoesting van het klooster door de troepen van
Ibrahim Pasja, in 1826, bleef de kerk gespaard. Naar verluidt werden
Ibrahims soldaten afgeschrikt door een icoon van Sint Eustathius, die
begon te bloeden toen hij door een soldaat werd gemaltraiteerd.
![]() ![]() Bij
de bouw van de kerk zijn op grote schaal bouwmaterialen van de
nabijgelegen ruïnes van de villa van Herodes Atticus gerecycled.
Bijvoorbeeld voor de ophanging van de kerkklok heeft men een
buitengewoon creatieve oplossing gekozen.
![]() ![]() Vlak
ten zuidoosten van Moní Loukoús ligt een merkwaardig aquaduct,
volledig overgroeid met kalkaanslag. Zowel Faklaris als Goester houden
het erop dat het uit de Romeinse periode dateert; het vermoeden dat het
een rol heeft gespeeld bij de wateraanvoer voor de villa van Herodes
ligt voor de hand.
![]() ![]() Ruim
drie kilometer ten westen van Ástros ligt Parálio Ástros
('Ástros aan
Zee'). Het is gebouwd tegen de zuidelijke helling van een in zee uitstekende heuvel met twee toppen
(satellietfoto).
Op de zuidelijke top ligt een imposant kasteel, dat in zijn
huidige
vorm uit de jaren 1824-1825 dateert, d.w.z. uit de tijd van de Griekse
onafhankelijkheidsoorlog, maar dat is opgetrokken op de ruïnes van een
oudere vesting.
![]() ![]() Aan de westkant,
de landzijde, van de heuvel zijn ten noorden van het
kasteel de resten
van een muur uit de Oudheid zichtbaar (foto hieronder).
Deze wordt in de regel in verband gebracht met een Atheense aanval op
de Thyreátis in 425/4 v.Chr. Zoals we hierboven
hebben gezien, hadden de Aegineten in 431 v.Chr. van de Spartanen
toestemming gekregen zich in Thyréa te vestigen, maar werden ze daar in
425/4 v.Chr. door een Atheense vloot aangevallen. Ze zagen zich, aldus
de
geschiedschrijver Thucydides, genoodzaakt de muur bij de zee, die ze
net aan het bouwen
waren, op te geven en zich terug te trekken op de bovenstad, die
ongeveer tien stadiën (ca. twee kilometer) van zee lag (Thucydides
4.57). Vrij algemeen wordt de muur ten noorden van het
kasteel
geïdentificeerd als Thucydides' 'muur bij de zee'.
![]() ![]() Het
uitzicht
van de heuvel bij zee boven Parálio Ástros in zuidelijke
richting (foto
hieronder) geeft een goede indruk van de geleding van de kust van
Kynouría, met de talrijke baaien
en kapen.
![]() ![]() Ongeveer
acht kilometer ten zuidwesten van Ástros, boven de weg naar Áyios
Pétros (satellietfoto), ligt in de
buurtschap Ellinikó
de heuvel Tichió
(foto hieronder),
met resten van een
ommuurde nederzetting uit de Oudheid.
De
identificatie van de site is omstreden. Walker en Faklaris denken dat
hier de
belangrijkste stad van noordelijk Kynouría, Thyréa, lag; de meeste
experts, onder wie Pritchett, Goester en Shipley, houden het erop dat
dit de
overblijfselen zijn van Eva,
een groot
dorp dat door Pausanias (Beschrijving
van Griekenland
2.38.6)
wordt vermeld. Behalve over de identificatie lopen de meningen ook
uiteen over de datering van het meest in het oog springende restant van
de nederzetting, de ommuring met een omtrek van ca. één kilometer.
Goester betoogt dat de muur uit de tweede helft van de vierde eeuw
stamt en vermoedt dat de bouw ervan samenhing met de
herinbezitneming van de Thyreátis door Argos in 338 v.Chr.
Faklaris, die van mening is dat hier Thyréa lag, denkt dat een deel van
de muur al in de late vijfde eeuw v.Chr. is opgetrokken door
de
Aegineten, die dit gebied immers met Spartaanse toestemming bewoonden
tussen 431 en 425/4 v.Chr.
![]() ![]() Onder de
top zijn resten van de ommuring redelijk zichtbaar (foto hieronder)
vanaf een pad dat rond de zuidzijde van de heuvel loopt.
![]() ![]() De
meest imposante muurresten,
ruim 20 meter lang en tot meer dan 3,5 meter hoog, zijn aan de
noordzijde te vinden. We beperken ons tot dit deel van de ommuring. Om
te beginnen een foto (hieronder)
die van enkele
honderden meters afstand is genomen.
![]() ![]() Een paar foto's,
genomen tijdens wandelingen rond en naar de top van de heuvel,
illustreren de
strategische ligging van de nederzetting. Niet alleen lag
deze hoog boven de
vlakte van Ástros en de Argolische golf ...
![]() ![]() ...
ze controleerde ook de landwegen die ten noorden van het centrale
massief van de Párnonas naar de centrale Peloponnesus, naar Sparta en
Tegea, leidden.
![]() ![]() Beklim
je de heuvel langs een geitenpad aan de noordoostzijde, dan passeer je
de
ommuring op het meest noordoostelijke punt. Dit is toren no. 1 (foto hieronder) in
de
nummering van Goester,
de uitvoerigste en meest informatieve beschrijving van de site.
![]() ![]() Ongeveer 25 meter
oostelijker ligt toren no. 2 (foto
hieronder), en van daaraf begint het aaneengesloten stuk
goed geconserveerde muur dat op de foto hierboven
zichtbaar is.
![]() ![]() Aan de binnenzijde
reikt het bodemniveau tot aan de top van de muur (foto hieronder), en
al lijkt op de foto hierboven
de muur van buitenaf eenvoudig te benaderen, dat valt door de
gesteldheid van het terrein in de praktijk nogal tegen.
![]() ![]() Vandaar
dat de bezoeker van deze webpagina het moet doen met een in buikligging
genomen foto, waarbij Uw fotograaf de camera zover mogelijk boven de
diepte hield, toen hij afdrukte.
![]() ![]() Ongeveer
400 meter ten noordoosten van Tichió, op een plek die lokaal bekend
staat als Anemomylos,
ligt een bouwsel dat in 1960 als
provisorisch onderkomen is opgetrokken en waarvan het dak inmiddels
alweer is ingevallen ...
![]() ![]() ... maar waarvan
het onderste gedeelte bestaat uit goed geconserveerde resten van een
gebouwtje
uit de Oudheid met een oppervlak van een kleine tien bij zes meter.
![]() ![]() Vermoedelijk
gaat het om een tempel(tje). Het gebouwtje was opgetrokken uit
zorgvuldig gehouwen blokken kalksteen, die zowel aan de buiten- ...
![]() ![]() ... als aan de
binnenzijde goed zichtbaar zijn. Faklaris dateert het tempeltje in de
tweede helft van de vierde eeuw v.Chr. Meer foto's van het gebouwtje
kun je vinden op deze
webpagina van de Duitstalige site www.argolis.de.
![]() ![]() |
... in de omgeving van Áyios AndréasNisí Ayíou Andréa,
een heuvel aan de kust ten zuiden van de
monding van de
Vrasiátis (satellietfoto),
is bezaaid met resten van
een stedelijke nederzetting uit de klassieke periode, met
ommuring
en rechthoekig stratenplan. Ook van deze site is
de identificatie omstreden. Volgens Faklaris
lag hier het onder andere door Thucydides (Thucydides 5.41.1-2)
en
Pausanias (Beschrijving van Griekenland
2.38.6)
genoemde Anthéne (Ἀνθήνη), de voorkeur van Pritchett ging uit
naar Thyréa, herbouwd na de Atheense raid van 425/4 v.Chr. (Thucydides
4.56-57),
en Shipley houdt zich in recente publicaties op de vlakte,
hetgeen
misschien wel zo verstandig is; eerder heeft hij in navolging
van Pritchett het
wetenschappelijke debat over de historische topografie van de Thyreatis
eens getypeerd als
een
stoelendans, 'a game of musical chairs'.
Maar
wat er ook mag hebben gelegen, Nisí Ayíou Andréa is zonder meer de
moeite van een
bezichtiging
waard. De foto hierboven
is vanaf ruim een kilometer ten noorden
van de monding van de Vrasiátis genomen en laat de ligging van de heuvel aan zee
zien. De foto hieronder
toont het uitzicht vanaf de heuvel op de monding van de Vrasiátis,
bij
het haventje van Paralía Ayíou Andréa.
![]() ![]() De
enigszins schematische kaart
van de ommuring van Nisí Ayíou Andréa, hieronder, is
ontleend aan Kynouria
van Israel Walker (1936), "the
first study of the region illustrated with many photographs and
drawings."
![]() Vanaf
Nisí Ayíou Andréa heb je (en vanuit de ommuurde nederzetting had men)
in noordwestelijke richting uitzicht over de benedenloop van de
Vrasiátis,
die door het zuidelijke
gedeelte van de vlakte van Ástros stroomt (als de rivier
tenminste niet, zoals op de foto
hieronder, is drooggevallen).
De
muurresten
op de foto hieronder
zijn overblijfselen van
wat op het kaartje hierboven wordt aangeduid als de 'inner wall', de
binnenmuur die de eigenlijke nederzetting scheidde van de lager, aan
zee gelegen, bebouwing.
Op
de top van de heuvel staat
een kerkje, omgeven door een tuin
met pijnbomen. De poort in de omheining is
gebouwd op wat vermoedelijk een bolwerk van de 'acropolis' van de
nederzetting was: het hoogste, van een afzonderlijke ommuring
voorziene,
gedeelte van de heuvel.
![]() ![]() Op de foto hieronder een
gedeelte van wat van de
muur tussen de kapel/acropolis en de 'inner wall', het
noordwestelijke deel van de ommuring, resteert.
![]() ![]() Enkele
kilometers stroomopwaarts (satellietfoto),
voor zover je het
woord 'stroomopwaarts' kunt
gebruiken in het geval van een rivier die een groot deel van het jaar
droogvalt, ligt de ruïne van
een brug over de
Vrasiátis uit de Ottomaanse periode: ooit vermoedelijk een
belangrijke schakel in een netwerk van kalderímia
(muildierpaden) dat de steden en dorpen in de regio met elkaar
verbond.
![]() ![]() De
brug ligt op de plaats waar de moderne weg naar Cherronísi (een
heuvel aan de kust
zo'n twee km ten noorden van Nisí Ayíou Andréa) de rivierbedding
kruist. Cherronísi betekent 'schiereiland'. Onderstaande foto
is genomen vanaf Nisí Ayíou Andréa.
Op de voorgrond de monding van de Vrasiátis. Cherronísi is de tweede
landtong die in zee uitsteekt. Je ziet meteen waar de naam Cherronísi
vandaan komt.
Nog
even terug naar de vervallen brug over de Vrasiátis.
Het moge duidelijk zijn dat de plek een bijzondere bekoring heeft voor
liefhebbers van de westerns van Sergio Leone.
![]() ![]() ![]() Van
Áyios Andréas leidt een lastige, maar goede weg naar het bergdorp
Kastánitsa (foto
hieronder), dat op ongeveer 800 meter hoogte aan de voet
van het
centrale massief van de Párnonas ligt. Tot enkele generaties geleden
verdienden de inwoners hun brood met het branden van kalk en
houtwinning. Het dorp is nu grotendeels ontvolkt, maar in de
zomermaanden zorgen de tijdelijke terugkeer van (nakomelingen van)
vroegere
inwoners en wat toerisme voor enig leven. Volgens Daniël Koster is
Kastánitsa
'het enige dorp in de hele Peloponnesus waarvan de daken vrijwel nog
geheel uit leien bestaan'. Het Marken en Volendam-voorgevoel dat de
lezer van deze woorden bekruipt, wordt bij het betreden van het
centrale plein wel enigszins bewaarheid, maar het opgepoetste en
afgestofte aanzien van de platía doet niets
af aan de schoonheid van het dorp ...
![]() ![]() ...
en aan de overweldigende presentie van de bergen rondom.
![]() ![]() Ook
al verdient het feit dat zo'n prachtig dorp goed wordt onderhouden alle
lof, verval heeft zo z'n eigen esthetiek.
![]() ![]() Het
dorp wordt gedomineerd door de restanten van een vestingtoren, de pyrgos van
Katsimbélis. Oorspronkelijk telde deze toren drie verdiepingen. Een
plaquette aan de voet meldt dat de pyrgos
verwoest is in 1946, tijdens de Griekse burgeroorlog. Over de precieze
omstandigheden van de verwoesting bewaart de plaquette het stilzwijgen.
Of er een verband bestaat met de namen van tien slachtoffers van de
burgeroorlog uit Kastánitsa op een andere plaquette, dit keer op de
platía, heb ik niet gevraagd.
![]() ![]() Bij
het begin van het pad dat naar de pyrgos
van Katsimbélis leidt, nemen we afscheid van Kastánitsa. Reeds hier reikt
het uitzicht tot de zee bij Áyios Andréas en daarachter tot de Argolída.
![]() ![]() |
... in de omgeving van TyrósOp
een kaap ten zuiden van Paralía Tyroú
(satellietfoto)
liggen de resten van een stedelijke nederzetting uit de Oudheid.
Met
name aan de
noordzijde zijn delen van een ommuring bewaard gebleven, ongeveer 300
meter,
met één halfrond en vier vierkante bolwerken, op sommige plaatsen
tot 4
meter hoogte. De muur, die door Faklaris in het
begin van de
derde eeuw v.Chr. wordt gedateerd, is 2.30 meter dik.
Hier
lag ongetwijfeld de
antieke nederzetting Týros
(Τύρος), die
wordt
vermeld in een inscriptie uit de derde eeuw v.Chr. (Fouilles
de Delphes
III i 68) en in het geografische lexicon (643.5)
van
Stephanus van Byzantium (zesde
eeuw
n.Chr.). Týros beleefde een
bloeiperiode
in het Hellenistische tijdvak, maar bestond voort tot in de Romeinse
periode. De (antieke) naam van de stad houdt vermoedelijk verband met
de cultus van Απόλλων Τυρίτας (Apollo
Tyrítas).
Er loopt een voetpad van de weg Tyrós-Leonídio naar de antieke
ommuring, maar wie wel eens heeft geprobeerd bij de
overblijfselen
van de antieke
nederzetting te komen, weet dat dit door de gesteldheid van het terrein
geen eenvoudige opgave is.
Schamele
overblijfselen van een heiligdom voor Apollo Tyrítas liggen op
een heuvel ten
zuiden van Tyrós, Profítis
Ilías Melánon,
(Προφήτης Ηλίας Μελάνων), hoogte
564
meter, tussen Sapounakéika en Péra Mélana. Bij opgravingen
zijn architectonische fragmenten van een kleine tempel uit de zesde
eeuw v.Chr. aangetroffen. De plaats van de tempel kon niet met
zekerheid
worden vastgesteld; vermoedelijk lag hij onder de kapel die nu op
de heuveltop staat.
Enkele meters ten noorden van de kapel zijn sporen van een vierkant altaar aangetroffen (foto), en in het noordwesten muurwerk, beide uit vierde eeuw v.Chr. De wijgeschenken voor de god die de opgravers hebben gevonden, dateren vooral uit de Archaïsche periode. Er is hier een cultusplaats geweest van de achtste tot de vierde eeuw v.Chr.; van de zevende tot de vijfde eeuw v.Chr. beleefde het heiligdom een bloeiperiode. Onderstaande foto, genomen vanuit het noordwesten, laat de locaties zien van de antieke nederzetting (linksonder, aan zee, op de heuvel Kástro, gaat deels schuil achter de olijfbomen op de voorgrond) en van het religieuze centrum van de gemeenschap, het heiligdom van Apollo Tyrítas (op de Profítis Ilías, de heuvel centraal op de foto). Over een van de wijgeschenken voor Apollo Tyrítas bestaat een interessant Nederlandstalig artikel van C.M. Stibbe, 'Een curieuze dedicatie', Hermeneus 63.5, 1991, 332-336 (om het artikel te vinden moet je doorscrollen naar de aangegeven pagina's). Het gaat om een Attische schaal, die rond 525 v.Chr. is vervaardigd en die volgens de erop aangebrachte inscriptie aan Apollo is gewijd door een zekere Euteigonidas, die daarbij optrad 'namens Dorieus'. Stibbe betoogt dat het heel plausibel is dat het bij deze Dorieus gaat om een Spartaanse koningszoon wiens lotgevallen uitvoerig worden beschreven door de geschiedschrijver Herodotus (Hdt. 5.39-48). Deze moest de troon aan zijn oudere halfbroer Cleomenes laten en leidde vervolgens twee kolonisatiepogingen, de een naar Libië, de ander naar Sicilië. Beide pogingen mislukten, en Dorieus vond op Sicilië de dood. Stibbe vermoedt dat Dorieus kort voor zijn vertrek naar het eiland, omstreeks 510 v.Chr., de Attische schaal aan Apollo heeft laten wijden. Stibbes interpretatie van de inscriptie op de schaal is overigens niet geheel onomstreden en wordt in twijfel getrokken door M. Steinhart en E. Wirbelauer, Chiron 30, 2000, blz. 265 met n. 41. Achter de kuststrook ter hoogte van Tyrós ligt de hoogvlakte van Palióchora, in de zomer een bijna Afrikaans aandoend savanne-landschap. Het is het type landschap waaraan ik moest denken toen ik De afdaling van de negen van Thanasis Valtinós las, hoewel de spaarzame geografische aanduidingen (Voúrvoura, Kastrí, baai van Ástros, Oriá) in deze novelle over de vergeefse overlevingstocht van een groep partizanen aan het eind van de burgeroorlog eerder in de richting van Noord-Kynouría wijzen. De hoogvakte van Palióchora is van oudsher een gebied waar kleinvee werd gehouden, zoals blijkt uit de drenkplaats op bovenstaande foto (centraal ongeveer 20 % boven de onderrand, je moet wel de vergroting aanklikken om hem te kunnen onderscheiden) en uit de schaapskooi op de foto hieronder. ![]() ![]() Ook
nu nog zie je regelmatig
kuddes schapen en geiten. Maar een andere agrarische activiteit die
tot voor enkele generaties op de hoogvlakte boven Tyrós werd beoefend
en die de bewoners van de regio praktisch autark maakte, de verbouw van
graan, is in de laatste decennia van de twintigste eeuw vrijwel
volledig gestaakt.
![]() ![]() Het punt vanwaar bovenstaande foto is genomen, staat op onderstaande still van Google Earth aangegeven als 'Panoramapunt'. Open je de link 'achter' de still in Google Earth, dan zul je zien dat ongeveer op het gemarkeerde punt een pad zich van de weg verwijdert om, aangekomen bij de rand van de hoogvlakte, stijl naar beneden te zigzaggen. Het is het eeuwenoude muildierpad, geplaveid met ronde keien, nu verwoest door de aanleg van een onverharde weg. Wat van het pad resteert is op Google Earth makkelijker terug te vinden dan in het echt. Op de foto onder de still een restant van het pad: van bovenaf zie je met enige moeite de bovenkant van het zorgvuldig opgetrokken muurtje dat het pad aan de buitenkant stutte. In 1973 heb ik, tijdens een voettocht over het zuidoosten van de Peloponnesus onder leiding van Herman Hissink (1915-2011: Ας είναι ελαφρύ το χώμα που τον σκεπάζει), destijds leraar Nederlands aan het Christelijk Gymnasium Sorghvliet in Den Haag en ongeëvenaard Griekenlandreiziger, op datzelfde panoramapunt gestaan en ben ik langs dat nu verwoeste muildierpad van de hoogvlakte naar het dorp aan zee afgedaald. De combinatie van het uitzicht en het zigzaggende muildierpad heeft een onuitwisbare indruk bij me achtergelaten: toen ik 35 jaar later voor het eerst weer op hetzelfde punt stond, herkende ik het onmiddellijk. |
... in de zuidelijke Párnonas en LeonídioEen van de dorpen in de zuidelijke Párnonas (satellietfoto) is Áyios Vassílios; hieronder de idyllische platía. Meer foto's zijn hier te vinden. Bij Áyios Vassílios werd volgens Woodhouse (The struggle for Greece) op 22 januari 1949 de sterkste brigade van de DSE op de Peloponnesus uitgeschakeld (blz. 261): "One major battle at Agios Vasileios in Kynouria on 22 January destroyed the strongest brigade of the Democratic Army." De DSE (Dimokratikós Stratós Elládas, het Democratische Leger van Griekenland) was het leger van de communistische zijde in de burgeroorlog. Enkele weken na de slag bij Áyios Vassílios was het regeringsleger de situatie op de Peloponnesus volledig meester. Wat
gebeurde hier in januari 1949? De beschrijving door Woodhouse
("... destroyed the
strongest brigade of the Democratic Army")
is vermoedelijk niet van enige overdrijving gespeend. Dat de DSE in de
daarop
volgende weken als militaire factor van betekenis ten zuiden van de
Corinthische Isthmus ophield te bestaan, heeft meer te maken met de
opbouw op de Peloponnesus als geheel van een overweldigende numerieke
en kwalitatieve overmacht door het regeringsleger dan met de
gebeurtenissen in het zuiden van Kynouría. Maar inderdaad leden de
communistische partizanen in deze regio op 21 en 22 januari 1949 zware
verliezen. Informatie over de gebeurtenissen
is te vinden in twee
Griekstalige artikelen van Kóstas Papadoyiánnis die begin
februari 2011 zijn geplaatst op de website www.leonidion.gr.
Daarop is de korte samenvatting hieronder gebaseerd.
In de nacht van 20 op 21 januari lanceerden eenheden van de 55ste Brigade van de DSE een aanval op Leonídio, in de hoop daar voorraden buit te maken die het gebrek van de partizanen aan voedsel, kleding en ammunitie zouden kunnen verlichten. Het regeringsleger, de gendarmerie en leden van een burgermilitie boden hardnekkig tegenstand, en hoewel de partizanen uiteindelijk een doorbraak wisten te forceren, was toen al zo veel tijd verstreken dat zij de terugtocht moesten aanvaarden voordat zij optimaal profijt hadden kunnen trekken van hun kortstondige aanwezigheid in het stadje. De partizanen keerden terug naar hun bases in de zuidelijke Párnonas, met achterlating van acht doden en van één medestrijder die na gevangenneming door een luitenant van het regeringsleger werd doodgeschoten. Van de gewonden die zij op hun terugtocht meenamen, overleed minimaal één aan haar verwondingen. Dat was de slag om Leonídio. Het eerste bataljon van de 55ste Brigade van de DSE, dat ongeveer 250 partizanen telde, trok zich terug op Áyios Vassílios en bracht daar de nacht van 21 op 22 januari door. De uitgeputte manschappen verzuimden de gebruikelijke veiligheidsmaatregelen in acht te nemen: er werden geen wachtposten uitgezet. Commando's van het regeringsleger, 1200 man sterk, waren na het nieuws over de aanval op Leonídio vanuit Tripoli en Sparta op pad gegaan om de verdedigers van het stadje te hulp te komen. Toen zij in Vamvakoú, een dorp op de westhelling van de Párnonas, aankwamen, was de aanval op Leonídio inmiddels beëindigd. De commando's kregen nu het bevel door het Párnonasgebergte naar Áyios Vassílios te trekken en het dorp te omsingelen. Bij het eerste ochtendgloren van 22 januari werd de aanval op de nietsvermoedende partizanen ingezet. De schrijver van het artikel waaraan ik deze gegevens ontleen, Kóstas Papadoyiánnis, spreekt van 100 gesneuvelde partizanen, 35 gewonden en 60 krijgsgevangenen; een inwoner van Leonídio die op het artikel reageert, Stratís Kouniás, houdt het op ca. 70 gesneuvelden. De verliezen aan de kant van de regeringstroepen bedroegen volgens de schrijver van het artikel zes doden en vijftien gewonden. In de loop van de dag vertrokken de commando's richting Leonídio, met medeneming van hun eigen doden en gewonden, van hun krijgsgevangenen en ook van burgers; vermoedelijk werd het dorp ontruimd. Dat was de slag om Áyios Vassílios. Al met al had het eerste bataljon van de 55ste Brigade van de DSE in een paar uur tijd ongeveer tweederde van zijn sterkte verloren, en een dorp waarop men tot dusverre had kunnen terugvallen, was ontvolkt. Maar de 55ste Brigade telde vier bataljons met in het totaal 850 partizanen, dus van de volledige uitschakeling waar Woodhouse het over heeft, was (nog) geen sprake: de commando's van het regeringsleger lieten de controle over het gebied van de slag dan ook (voorlopig) aan hun tegenstanders. Maar de zware verliezen die de partizanen waren toegebracht in een gebied waar zij zich veilig waanden, zullen het moreel van de DSE op de Zuid-Peloponnesus geen goed hebben gedaan. De onfortuinlijke commandant van het eerste bataljon werd verantwoordelijk gesteld voor de slachting die de commando's onder zijn manschappen hadden aangericht, en kreeg de kogel. In een artikel van Stratís Kouniás, dat eerder op dezelfde website (www.leonidion.gr) is verschenen, wordt een beeld gegeven van de nadagen van de burgeroorlog in het zuiden van Kynouría. Het artikel gaat over de particuliere centrale die Leonídio van 1925 tot 1967 van electriciteit voorzag. In oktober 1948 pleegden vier partizanen een aanslag op die centrale, en aan het slot van het artikel beschrijft Kouniás hoe het met hen afliep. Vanaf april 1949 opereerden de partizanen die nog actief waren in de regio, in kleine groepjes; dat was de enige manier om uit handen van de autoriteiten te blijven en aan voldoende levensmiddelen te komen. Twee van de vier overleefden de burgeroorlog. Een van hen was al in januari 1949 bij Áyios Vassílios gevangen genomen, de ander hield zich schuil tot 1950 voordat hij zich overgaf. Van de twee andere werd er een in mei 1949 gedood in een hinderlaag, de ander werd in augustus 1950 gevangen genomen en terechtgesteld, omdat hij een vluchtpoging zou hebben ondernomen. Bij Leonídio staat een monument voor gevallenen aan regeringszijde (foto hieronder): op 21 januari 1949 zes militairen en vier burgers in de slag om Leonídio, op 22 januari 1949 zes doden in de slag om Áyios Vassílios. De sterfelijke voorbijgangers worden aangespoord de knie te buigen 'voor de onsterflijken'. ![]() ![]() ![]() In
Áyios Vassílios zelf staan verschillende monumenten voor de
andere kant in het conflict. Wie het dorp langs de enige toegangsweg
nadert passeert een monument
(foto hieronder)
dat in 1982 is opgericht door Vangélis Latsis, kapetánios
van de tweede compagnie van het achtste regiment van de ELAS van
Lakonía en Kynouría, ter nagedachtenis aan de inwoners van Áyios
Vassílios die in de jaren 1940-1944 in de strijd tegen de
Italiaanse en Duitse bezetters in de gelederen van EAM, ELAS en EPON
zijn gesneuveld. Het Ethnikó
Apeleftherotikó Métopo
(EAM), het 'nationaal bevrijdingsfront' was de communistisch geleide
verzetsorganisatie tijdens de tweede wereldoorlog. ELAS staat
voor Ellinikós
Laikós Apeleftherotikós Stratós ('Grieks
Volksbevrijdingsleger', de militaire arm van het EAM), EPON
voor Eniaía
Panelladiki Orgánosi Néon
('Verenigde Panhelleense Organisatie van Jongeren', de jeugdorganisatie
van het EAM). Op de zuil staan overigens ook de namen van soldaten die
in het najaar en de winter van 1940/1, vóór de oprichting van het EAM,
aan het Albanese front zijn gesneuveld in de oorlog tegen het Italië
van Mussolini. En het onderste deel van het monument is gewijd aan de
nagedachtenis van andartes
('partizanen') van de DSE die op 22 jamuari 1949 'op het
veld van eer zijn gevallen' in de strijd met de LOK, de Lóchoi Oreinón Katadroméon
('Compagnieën van Bergcommando's'). Er staan een kleine 50 namen op dit
deel van het monument, van partizanen uit verschillende plaatsen in
Kynouría en Lakonía, zoals Aráchova (Karyés), Brontamás, Kastánia en
Levétsova (Krokeés). Vangélis Latsis, die dit monument heeft
opgericht, is tevens de auteur van een in 1991 in Athene verschenen
boek over de geschiedenis van het achtste regiment, I
andártes tou Párnona, 'De partizanen van de
Párnonas'.
De tweede compagnie van het achtste regiment van de ELAS van Lakonía en Kynouría wordt op het monument ook aangeduid als de 'Sarriyiánnis-compagnie'. Sarriyiánnis was de partizaan die in juli 1943 leiding had gegeven aan de hinderlaag bij Kosmás die de Italiaanse gouverneur van Trípoli het leven had gekost. Nadien had hij het commando gevoerd over de naar hem genoemde compagnie. In maart 1949, tijdens de burgeroorlog dus, zou hij op de Noord-Peloponnesus de dood vinden; op dat moment had hij sinds november 1948 het bevel gevoerd over een van de twee brigades van de DSE op de Peloponnesus. Bij de platía van Áyios Vassílios staat een door de gemeente opgerichte gedenksteen 'voor de strijders van het nationaal verzet en de gevallenen in de burgeroorlog' (foto hieronder). Het 'nationaal verzet' (ethnikí antístasi) verwijst naar het 'nationaal bevrijdingsfront', het EAM. Het gebruik van de term 'burgeroorlog' (emphýlios [polemos]) op een van overheidswege opgericht monument betekent een breuk met het officiële spraakgebruik tot ca. 1980; voordien werd het conflict door de autoriteiten in de regel aangeduid als antisymmoriakós pólemos, de 'oorlog tegen de bendes'. Ook door de iconografie verwijst het monument naar de continuïteit tussen het gewapende verzet van de EAM in de tweede wereldoorlog en de communistische partizanen ten tijde van de burgeroorlog, maar het probeert aanstoot te vermijden door alle slachtoffers van de burgeroorlog te gedenken. ![]() ![]() Het monument
hieronder staat ook in het dorpscentrum van Áyios
Vassílios. Het is niet van de gemeente, maar van de Arcadische afdeling
van de Panellínia Énosi
Agonistón tís Ethnikís Antístasis,
de Panhelleense Unie van Strijders van het Nationaal Verzet
(PEAEA).
De belettering is dan ook robuuster en de tekst geharnaster van toon
dan op het monument
hierboven: "Roem en eer aan de heldhaftige strijders van het
EAM-ELAS, de EPON en het Democratische Leger van Griekenland."
![]() ![]() Als
buitenstaander kun je over een burgeroorlog misschien maar beter een
discreet stilzwijgen bewaren. Het communistisch geleide verzet deed er
tijdens de Italiaans-Duitse bezetting in sommige regio's weinig aan om
de angst voor communistische overheersing bij landgenoten weg te nemen,
en dreef individuen en groeperingen ter rechterzijde soms onnodig in de
armen van de
bezetters. Even waar is dat rechts zich in de strijd tegen het
communisme op ongehoorde schaal van de diensten van (voormalige)
collaborateurs heeft bediend. Ο λαός δεν ξεχνά τι
σημαίνει δεξιά, 'Het volk vergeet niet wat rechts betekent,'
was
in de jaren '80 van de
vorige eeuw een verkiezingsleus van de PASOK die kennelijk een
gevoelige snaar raakte. Daarbij ging het natuurlijk in de eerste plaats
om de junta van de jaren 1967 tot 1974, maar dat wil niet zeggen dat de
kiezers geacht werden de eerste jaren na de tweede
wereldoorlog te zijn vergeten. Wie op zoek is naar een evenwichtige,
maar betrokken impressie van die jaren doet er nog steeds goed aan The Flight of Ikaros. Travels in
Greece during a Civil War
(1959) van Kevin Andrews (1924-1989) te lezen. Andrews bereisde in de
jaren van 1948 tot 1951 de Peloponnesus om de middeleeuwse kastelen
daar in kaart te brengen. Het resultaat was een wetenschappelijke
monografie, Castles of
the Morea (1953; revised edition 2006), én The Flight of Ikaros,
waarin Andrews zijn reisindrukken boekstaafde. In het voorwoord bij de
Penguineditie van 1983 typeerde hij het boek als "an
outsider's
abrupt and startled experience of a country during a civil war and the
beginning of an aftermath it hasn't seen the end of yet." Voor een
onopgesmukt, maar
beklemmend relaas van de effecten op een Grieks dorp van oorlog,
bezetting en burgeroorlog kan men terecht bij de
website van het dorp Karítsa, in Lakonía, op de zuidwestelijke helling van de Párnonas
(satellietfoto).
Van die site maakt ook een aantal tweetalige
teksten
(Grieks-Engels) deel uit. Veel van wat onder die noemer is
bijeengebracht kan het best worden getypeerd als 'oral
history'.
Voor de tweede wereldoorlog 'en wat daarna kwam' zijn vooral 'Black New
Year' en
'The life and times of Diamantis Stylianou Hagias' belangrijke teksten.
Ongeveer twee kilometer ten zuiden van Áyios Vassílios ligt een heuvel die wordt gemarkeerd door een middeleeuwse vestingtoren (foto hierboven - zie voor meer foto's hier). Lokaal staat de plek bekend als Kástro. Rond de top van de heuvel zijn de resten van een ommuring uit de Oudheid zichtbaar. Voor de verandering zijn de geleerden het erover eens dat hier het antieke Glympeís heeft gelegen, een stadje waarom tijdens de Bondgenotenoorlog (220-217 v.Chr.) verschillende keren is gevochten. De plaats wordt behalve door Polybius (4.36 en 5.20) ook vermeld door Pausanias, die een dorp Glyppía noemt (Beschrijving van Griekenland 3.22.8). De antieke benaming heeft zich tot op vandaag de dag gehandhaafd: Faklaris weet te vertellen dat Áyios Vassílios door de bewoners van de streek Lýmpia wordt genoemd, en tot in een recent verleden werd de naam Lýmpia of Lympochória daarnaast ook gebruikt ter aanduiding van de naburige dorpen Platanáki en Paliochóri. Ten tijde van de Griekse onafhankelijkheidsoorlog zou de aanduiding Lympochória mede Kosmás en zelfs Yeráki hebben omvat. Ten noorden van de weg van Paliochóri naar Áyios Vassílios ligt een klein verlaten kloooster, gewijd aan de aartsengelen Michaël en Gabriël: Moní Ayíon Taxiarchón (foto hierboven). Een inscriptie op de drempel van het kerkje noemt 1953 als het jaar van bouw of - waarschijnlijker - restauratie. Misschien zijn in datzelfde jaar de inmiddels alweer verweerde fresco's van de aartsengelen in de nis boven de kerkdeur aangebracht of hersteld. Het
klooster hierboven,
Moní
Elónis, is ca. 1500 gesticht, maar sindsdien
regelmatig door
brand verwoest. Toch is het een bezoek
meer dan waard, niet zozeer vanwege de miraculeuze icoon van de Panayía
of
vanwege de heilzame werking van het bronwater als wel vanwege de sensationele
ligging (link
openen in Google Earth), ca. 15 km op de weg van Leonídio
naar Kosmás.
Fraaie foto's van het klooster zijn hier te vinden. Volgens de
schrijvers van de hierboven genoemde teksten over Karítsa (die ik niet
op
virulent anticommunisme heb kunnen betrappen) werd het klooster in 1944
door EAM/ELAS gebruikt als gevangenis en executieplaats
voor tegenstanders van de communistisch geleide verzetsbeweging; Stratís Kouniás spreekt van 'een
kamp waar de partizanen zwarthandelaars en collaborateurs vasthielden'.
Leonídio is het voornaamste stadje in het zuiden van Kynouría, zoals Ástros dat is in het noorden. De afgelopen jaren heeft Leonídio een facelift ondergaan door de restauratie van patriciërshuizen als de 'burcht van Tsikaliótis' (foto hieronder) uit de vroege negentiende eeuw, die nu dienst doet als cultureel centrum en tentoonstellingen herbergt. Zie voor een Griekstalige webpagina over dit archondiko, met mooie foto's, hier. ![]() ![]() De sensationele
ligging van het stadje, aan de voet van de rossige 'Tsakonische
rotsen', was er natuurlijk altijd al. Ze begrenzen aan de zuidzijde de
hoogvlakte achter Tyrós.
![]() ![]() Leonídio
ligt ongeveer vier kilometer van de kust
(satellietfoto),
op de plaats waar de canyon
van de Dafnónas zich verwijdt tot een vruchtbare vlakte, die in de
Oudheid bekend stond als Διόνυσου κῆπος, 'tuin van Dionysus'.
Deze
benaming hing samen met een mythe die de tweede-eeuwse
reiziger
Pausanias bij zijn bezoek aan de stad Prasiaí optekende:
hier zou Ino
de jonge Dionysus na de dood van diens moeder Semele hebben gevoed (Beschrijving
van Griekenland 3.24.3-4).
Rond 1800 waren welgestelde inwoners van Leonídio zich kennelijk goed
bewust van
wat Pausanias over de regio had geschreven, want het plafond van de
ontvangstruimte van de 'burcht van Tsikaliótis' is
gedecoreerd met
voorstellingen van Dionysus en Ino.
![]() ![]() Meer foto's van de
resten van Prasiaí kun je hier vinden; prachtige foto's
gemaakt tijdens een wandeling naar de top van de heuvel hier,
op het weblog Leonidio-Poulithra,
'Fotografische
excursies naar een klein paradijs'. Naar deze site heb ik ook
hierboven al heb gelinkt voor foto's van Áyios
Vassílios en Moní Elónis, maar er is daar nog veel meer moois te
vinden over het zuiden van Kynouría. De thuisbasis van de
webmaster, Dína Vitziléou, is Poúlithra, een dorpje aan de kust
ongeveer 5 km ten zuiden van Pláka. Op een heuvel ten zuiden van
Poúlithra liggen resten van een nederzetting uit de periode
rond
300
v.Chr. die is geïdentificeerd als Políchne (zie voor de vermelding van
deze plaats door de geschiedschrijver Polybius hierboven).
De heuvel heet Vígla, naar de middeleeuwse wachttoren die ooit op de
top stond. Zelf heb ik er geen foto's van, Dína Vitziléou heeft
die wel, hier.
Als je met andermans veren moet gaan pronken, wordt het tijd om op te houden. We nemen dus afscheid van Kynouría, voorlopig als het aan mij ligt. We doen dat midden augustus 2011, laat in de middag, ergens op de hoogvlakte boven Tyrós. |
Aerts, W. 2010. 'Een bijzonder woordenboek: het Tsakonisch lexicon voor kinderen', Lychnari Nummer 5 - 2010, 22-23.
Ameling, W. 2011. 'Die Gefallenen der Phyle Erechtheis im Jahr 490 v.Chr.', Zeitschrift für Papyrologie und Epigrahik 176, 10-23.
Andrews, K. 19842. The flight of Ikaros. Travels in Greece during a civil war, Harmondsworth. [Zie voor de vuile oorlog op de Zuid-Peloponnesus vooral de hoofdstukken 9 en 10 (blz. 141-191). Een heruitgave door Paul Dry Books is in 2010 verschenen.]
Balta, E. 2009. 'Venetians and Ottomans in the Southeast Peloponnese (15th-18th Century), Halil Inalcık Armağanı - I', Tarih Araştırmaları, Ankara, Doğu Batı, 2009, 168-204. [De voorlopige resultaten van een fascinerende studie van een Griekse onderzoekster op basis van Ottomaanse en Venetiaanse belastingregisters, die welsprekend getuigenis afleggen van de relatief grote welvaart en van de demografische bloei van het gebied onder Ottomaans bestuur. Aan deze studie ontleen ik ook dat Moní Elónis ca. 1500 is gesticht.]
Baumer, L.E. 2004. Kult im Kleinen, Ländliche Heiligtümer spätarchaischer bis Hellenistischer zeit: Attika – Arkadien – Argolis – Kynouria, Rahden, Westf. [Over het heiligdom van Apollo Tyrítas]
Böhm, S. 1994. 'Griechische Sepulkralkunst im römischen Klassizismus', Jahrbuch des Deutschen Archäologischen Instituts 110, 405-429. [Over het reliëf NM 1450]
Browning, R. 1983. Medieval and Modern Greek. Second edition, Cambridge. [Zie blz. 124-125 voor het Tsakonisch.]
Caraher, W.R. 2003. Church, society, and the sacred in early Christian Greece, diss. Ohio State University. [Zie blz. 363 voor de aanwijzingen voor het bestaan van een laat-antieke basiliek op de plaats van Moní Loukoús.]
Charamis, K. 2005. '"Nothing and no one has been forgotten": commemorating those who did not give in during the Greek civil war (1946-1949)', in: Cahiers de la Méditerranée [online], vol. 70. Geraadpleegd 13 mei 2010. [Een studie over vier monumenten die zijn opgericht door de PEAEA, in Volos, Serres, Larissa en op Makronisos.]
Christien, J., Spyropoulos, Th. 1985. 'Eua et la Thyréatide: topographie et histoire', Bulletin de Correspondance Hellénique 109, 455-466.
Φακλάρης, Π.Β. 1990. Αρχαία Κυνουρία. Ανθρωπινή δραστηριότητα και περίβαλλον, Αθήνα. [De meeste gegevens over aardrijkskunde en geschiedenis in het bovenstaande zijn ontleend aan deze standaaardpublicatie over Kynouría in de Oudheid. Het boek bevat trouwens ook nogal wat verspreide informatie over ontwikkelingen in de regio ná de Oudheid. De Engelse samenvatting van het boek is hier op het web gepubliceerd en bevindt zich dus, naar ik aanneem, in het publieke domein. Deze versie is gecheckt met behulp van de originele publicatie.]
Goester, Y.C. 1979. ‘Kynouria 1976-1978’, Hermeneus 51.5, 347-351. [Een voorlopige publicatie van de resultaten van een Utrechts survey-onderzoek in Noord-Kynouría.]
Goester, Y.C. 1993. 'The plain of Astros: a survey', Pharos 1, 39-112. [De uiteindelijke wetenschappelijke verslaglegging van het hierboven genoemde survey-onderzoek. Met name de archeologische site Ellinikó/Tichió, ca. acht km ten westen van Ástros rechts van de weg naar Áyios Pétros, is door de onderzoekers zeer nauwkeurig in kaart gebracht, maar het artikel bevat bijvoorbeeld ook een wat globaler beschrijving van Nisí Ayíou Andréa.]
Grigorakakis, G. 2009. 'New investigations by the 39th Ephorate at Eva in the Thyreatis. A Late Classical burial in the western roadside cemetery', in: H. Cavanagh, W. Cavanagh, J. Roy (eds), Honouring the dead in the Peloponnese. Proceedings of the conference held at Sparta 23-25 April 2009. CSPS Online Publication 2, prepared by Sam Farnham, 183-199. [Zie blz. 185 met n. 12 voor de vondst van een tweede dakpan met de aanduiding EYATAN.]
Ιστορικόν σημέιωμα της Ιεράς Μονής Μεταμορφώσεως του Σωτήρος (Λουκόυς), z.j. (2008 of eerder). [Een stichtelijk, maar informatief gidsje uit de kloosterwinkel van Moní Loukoús.]
Jansen, K. 2006. Herodes Atticus und seine τρόφιμοι, Diss. Westfälischen Wilhelmsuniversität Münster.
Karusu, S. 1969. 'Die antiken vom Kloster Luku in der Thyreatis', Römische Mitteilungen 76, 253-265.
Koster, D. 2004. Athene en de Peloponnesus. Reisgids, Amsterdam/Antwerpen. [Dé Nederlandstalige reisgids voor de Peloponnesus, inclusief Kynouría.]
Κουνιάς, Στρατής, Η δημιουργία, η ανατίναξη και το τέλος της 'Ηλεκτρικής' Λεωνιδίου, geraadpleegd 2 maart 2011, <http://www.leonidion.gr/2010/11/blog-post_1051.html>
Κουνιάς, Στρατής, Η τελευταία επιδρομή των Γερμανών και η εκτέλεση των 11 στο Λεωνίδιο (6 Ιουλίου 1944), geraadpleegd 12 juli 2011, <http://www.leonidion.gr/2011/07/11-6-1944.html>
Κουνιάς, Στρατής, Η
μάχη του Κοσμά (27
Ιουλίου 1943), geraadpleegd 27 augustus 2011,
<http://www.leonidion.gr/2011/07/27-1943.html>
'Μνημόσυνο στη μνήμη του Γίαννη Σαρρηγίαννη
– 50 χρόνια από το θάνατό του', Ριζοσπάστης
6 Αυγούστου 1999, σελίδα 16.
Nicholas,
N. Tsakonian Bibliography, 2003-2009,
geraadpleegd 1 september 2010,
<http://www.tlg.uci.edu/~opoudjis/Work/tsakbib.html#>
["An
annotated bibliography of references on Tsakonian. The
emphasis is
on the Tsakonian language, but I am happy to insert references on
Tsakonia in general ..." Bevat, kortom, veel titels die van belang zijn
voor de geschiedenis van de regio.]
Παπαδογιάννης, Κώστας Ι., Η μάχη του Λεωνιδίου στις 20 Ιανουαρίου 1949, geraadpleegd 26 februari 2011, <http://www.leonidion.gr/2011/02/20-1949.html>
Παπαδογιάννης, Κώστας I., Η πολύνεκρη μάχη του Αγίου Βασιλείου Κυνουρίας στις 22 Ιανουαρίου 1949, geraadpleegd 26 februari 2011, <http://www.leonidion.gr/2011/02/22-1949.html>
Piérart, M. 2001. 'Argos, Philippe II, et la Cynourie (Thyréatide)', in: R. Frei-Stolba, K. Gex (eds), Recherches récentes sur le monde hellénistique, Bern-Frankfurt am Main, 27-43.
Pritchett, W.K. 1989. Studies in ancient Greek topography VI, Berkeley-Los Angeles-London, met name 79-101; Studies in ancient Greek topography VII, Amsterdam 1991. [Over de topografie van Kynouría in de Oudheid. Vgl. de recensie van de hand van Graham Shipley, Classical Review 43, 1993, 131-134.]
Rife, J.L. 2008. 'The burial of Herodes Atticus: élite identity, urban society, and public memory in Roman Greece', Journal of Hellenic Studies 128, 92-127.
Shipley, G. 2000. 'The extent of Spartan territory in the late Classical and Hellenistic periods', Annual of the British School in Athens 95, 367-390. [Over de verovering en het latere verlies van Kynouría door de Spartanen en over de topografie van de regio in de Oudheid.]
Shipley, G. 2004. 'Lakedaimon', in: M.H. Hansen, Th. H. Nielsen (eds), An inventory of Archaic and Classical poleis, Oxford, 569-598. [Zie de ingangen voor de verschillende plaatsnamen (Anthana, Prasiae, Tyros enz.) voor korte uiteenzettingen over de topografie van Kynouría in de Oudheid.]
Spyropoulos, G. 2001. Drei Meisterwerke der griechischen Plastik aus der Villa des Herodes Atticus zu Eva/Loukou, Frankfurt am Main enz.
Spyropoulos, G. 2006. Η έπαυλη του Ηρώδη Αττικού στην Εύα/Λουκού Κυνουρίας, Athene. [Deze titel, momenteel uitverkocht, heb ik nog niet gezien.]
Spyropoulos, G. 2009. Οι στήλες των πεσόντων στη μάχη του Μαραθώνα από την έπαυλη του Ηρώδη Αττικού στην Εύα Κυνουρίας, Athene. [Op blz. 34v. n. 1 verwijst de auteur voor een gedetailleerder argumentatie voor zijn hypothese dat de grafheuvel bij Marathon is opgeworpen in de late tweede eeuw, naar een toekomstige publicatie: Η αρχιτεκτονική της έπαυλης του Ηρώδη Αττικού στην Εύα Κυνουρίας. Spyropoulos veronderstelt (blz. 32) dat het proces ten overstaan van Marcus Aurelius in Sirmium in 174 n.Chr. rechtstreeks te maken zou hebben gehad met de overbrenging van kunstschatten en monumenten uit Athene naar de villa bij Ástros. Meer dan een gissing kan dit niet zijn; de schriftelijke bronnen zwijgen over een dergelijk verband.]
Spyropoulos, Th. Spyropoulos, G. 2003, 'Prächtige Villa, Refugium und Musenstätte. Die Villa des Herodes Atticus im arkadischen Eva', Antike Welt 34, 463-470.
Steinhart, M., Wirbelauer, E. 2000, 'Par Peisistratou. Epigraphische Zeugnisse zur Geschichte des Schenkens', Chiron 30, 255-288. [Bespreken op blz. 265-6 het eerder door Stibbe bediscussieerde wijgeschenk aan Apollo Tyrítas en bekritiseren Stibbes interpretatie van de wij-inscriptie.]
Steinhauer, G. 2009. Marathon
and the Archaeological museum,
John S. Latsis Public Benefit Foundation. [Zie voor een korte
bespreking van de lijst gesneuvelden van de fyle Erechtheis blz. 122.]
Tobin, J. 1997. Herodes Attikos and the city of Athens. Patronage and conflict under the Antonines, Amsterdam. [Zie blz. 333-354 voor de villa van Herodes bij Ástros.]
Walker, I. 1936. Kynouria. Its history in the light of existing remains, Ph.D. University of Columbia, Williamsport, Pennsylvania. [De typering als "the first study of the region illustrated with many photographs and drawings" is van Yvonne Goester. Biedt beschrijvingen van verschillende sites, o.a. Týros, Áyios Andréas en Ellinikó, en van Moní Loukoús. Vanzelfsprekend gedateerd, maar juist daarom interessant, en soms nog steeds nuttig.]
Woodhouse, C.M. 1976. The struggle for Greece 1941-1949, London. [Zie blz. 261 voor de slag bij Áyios Vassílios op 22 januari 1949. In 2002 herdrukt met een buitengewoon informatieve inleiding van Richard Clogg.]