Terug naar de beginpagina

Vakantie in Kynouría

Jaap-Jan Flinterman


Wat onvolledige impressies van mijn favoriete Griekse regio, op basis van daar in 2008, 2010, 2011 en 2013 doorgebrachte zomervakanties en van archaeologische en historische publicaties over dit gebied: de oostkust van de Peloponnesus ten zuiden van de Argolída. Deze webpagina is zeker voor uitbreiding vatbaar, en die zal er in de toekomst ook wel komen. Voorlopig bestaat het aanbod uit wat aardrijkskunde en geschiedenis van het gebied, en uit beschrijvingen van een aantal bezienswaardigheden van noord (Ástros) naar zuid (Leonídio). De resten van de villa van Herodes Atticus bij Ástros komen vrij uitvoerig aan de orde, inclusief de inscriptie met een lijst van gevallenen in de slag bij Marathon die daar is gevonden. Verder biedt Vakantie in Kynouría kortere beschrijvingen met wat foto's van de kloosters Moní Loukoús, Moní Ayíon Taxiarchón en Moní Elónis; van het kasteel van Parálio Ástros; en van de overblijfselen van klassieke nederzettingen en heiligdommen op de heuvel Tichió in de buurtschap Ellinikó Ástrous; op Nisí Ayíou Andréa; op de kaap ten zuiden van Paralía Tyroú; op de Profítis Ilías Melánon; en op Kástro bij Áyios Vassílios. In het zuiden van Kynouría, Leonídio en zijn achterland, maken we een rondgang langs monumenten die herinneren aan de Griekse burgeroorlog: een historische episode waaraan op Griekstalige webpagina's over de geschiedenis van de regio veel aandacht wordt besteed. Het geheel wordt besloten met een kort bezoek aan de bergdorpen Plátanos en Kastánitsa. Naar weblogs en sites uit de regio zelf (vaak met schitterende foto's) heb ik ijverig gelinkt.

De informatie op deze webpagina wordt verantwoord in de vorm van een lijst van geraadpleegde literatuur, met per titel een korte aanduiding van wat eraan is ontleend. Als in de tekst van de webpagina een mededeling of opvatting aan een auteur wordt toegeschreven en/of een titel wordt vermeld, dan zijn de volledige bibliografische gegevens in die literatuurlijst te vinden.



Unless indicated otherwise, the photos on this webpage were made by Jaap-Jan Flinterman, who hereby allows you to download, copy, re-format and redistribute them, provided that
  • you charge no fees for their distribution,
  • are not running a commercial website,
  • attribute the photos to Jaap-Jan Flinterman,
  • and add a working link to this webpage.
A message telling me where and how photos are used is much appreciated. If you want to use a photo outside the internet, you'll need a written permission.


Inhoudsopgave



Kynouría: wat aardrijkskunde

De regio Kynouría (link openen in Google Earth), die deel uitmaakt van de prefectuur Arkadía,  strekt zich uit langs de Egeïsche Zee of, om precies te zijn, langs de Argolische Golf. De kust bestaat uit een serie baaien, van elkaar gescheiden door kapen. De stranden zijn in de regel van fijne kiezel; alleen bij Ástros is een zandstrand. De kust bij Tyrós - foto: Jaap-Jan Flinterman, zomer 2008Hemelsbreed liggen het noordelijkste en het zuidelijkste punt niet meer dan een kleine 60 km van elkaar verwijderd, maar de afstand langs de kronkelende kustweg is natuurlijk aanzienlijk groter. In het noorden grenst de streek aan de prefectuur Argolída; de natuurlijke grens wordt hier gevormd door de uitlopers van het Parthénio-massief, vooral de Závitsa; in het zuiden, waar Kynouría aan de prefectuur Lakonía grenst, wordt de grens gemarkeerd door het Madára-massief. De smalle kuststrook verwijdt zich op twee plaatsen tot bescheiden vlaktes: in het noorden bij Ástros en Áyios Andréas, waar de Tános en de Vrasiátis, en in het zuiden bij Leonídio, waar de Dafnónas in de Argolische Golf uitmondt.

De kuststrook en de vlaktes zijn geschikt voor olijf- en fruitbomen, en in de omgeving van de grotere plaatsen is er ook tuinbouw. In de negentiende eeuw (en vermoedelijk ook wel voordien) werden tuinbouwproducten uit Leonídio per kaïk uitgevoerd naar Constantinopel en Smyrna en zelfs naar Alexandrië. Het achterland van de kust­strook wordt gevormd door een hoog­vlakte van tussen de 650 en 800 meter hoogte, waar vroeger wintergranen werden geteeld en waar kleinvee wordt gehouden, in 1982 bijna 100.000 stuks; ook maïs, peulvruchten en aardappelen worden daar verbouwd, en er is wat wijnbouw en de nodige boomcultuur (appels, peren, kastanjes, noten). Daarachter verrijzen de beboste hellingen van het Párnonas-gebergte; de hoogste piek is de Megáli Toúrla (1934 meter). De Párnonas vormt de westgrens van Kynouría; hemelsbreed bedraagt de afstand tussen de kust en het centrale massief zo’n 20 km.

Het centrale massief van de Párnonas, gezien vanuit de bedding van de Vrasiátis - foto: Jaap-Jan Flinterman, zomer 2011

Het traditionele regionale dialect van de streek rond Tyrós en Leonídio, het Tsakonisch, wijkt zo sterk af van het normale moderne Grieks dat het voor Grieken van buiten de Oost-Peloponnesus praktisch onverstaanbaar schijnt te zijn. Volgens degenen die het Tsakonisch koesteren, gaat het terug op het Dorische dialect van de Griekse taal, dat door de oude Spartanen werd gesproken. Op deze kaart is het gebied waar eind 19de eeuw nog Tsakonisch werd gesproken, blauw ingekleurd.
 
Tweetalig bord (Tsakonisch-Grieks) in Leonidio - foto: Miko (GNU) <http://commons.wikimedia.org/wiki/File:Leonidio-Tsakonian-sign.jpg>
"Onze taal is het Tsakonisch. Vraag ons het met U te spreken."

Kynouría is dun­bevolkt; de be­vol­king is de laatste anderhalve eeuw vrijwel stationair gebleven en de laatste decennia zelfs afgenomen. In 1848 telde het gebied 25.401 inwoners; in 1907 31.055; in 1940 31.936; in 1951 29.611. In de decennia nadien voltrok zich een grote achteruitgang, ongetwijfeld door (e)migratie: in 1971 waren er nog maar 23.092 inwoners. In het volgende decennium trad een licht herstel op, vermoedelijk door een inhaalslag op het gebied van de modernisering (electrificatie, wegenaanleg) en door de opkomst van enig toerisme. In 1981 waren er weer 25.300 inwoners. Toch waren dat er altijd nog 100 minder dan in 1848, en bij de volkstelling van 2001 bleken de drie gemeentes Vória Kynouría, Tyrós en Leonídio samen niet meer dan 21.235 inwoners te tellen; met Kosmás, in de Párnonas, erbij kwam het totale inwoneraantal van Kynouría destijds op 21.826. De meest recente cijfers, die van de volkstelling van 2011, laten weer een verdere achteruitgang zien: van 21.826 naar 18.635 inwoners, een daling van bijna 15 % in tien jaar tijd. Hiervan woonden 10.341 mensen in Vória Kynouría (Noord-Kynouría) en 8294 in Nótia Kynouría (Zuid-Kynouría). Noord- en Zuid-Kynouría zijn de twee gemeentes waarin de regio sinds de gemeentelijke herindeling van 2011 is verdeeld; in het noorden is Ástros de voornaamste nederzetting, in het zuiden Leonídio. In de zomermaanden keren veel Grieken die naar de stad verhuisd of geëmigreerd zijn, terug naar hun dorp van herkomst. Daardoor en door binnenlands toerisme neemt de bevolking van Kynouría in de zomer vrij sterk in omvang toe.

In 1958 schreef Henrik Scholte in zijn Gids voor Griekenland over de oostkust van de Peloponnesus ten zuiden van de Argolída: "Ter lengte van enige honderden kilometers en tot zeer diep het land in is de Peloponnesus-kust vrijwel onbewoond en onbewoonbaar. (...) Slechts de toerist, die per lijnboot om de Peloponnesus vaart, slaat nog wel eens een oog op deze kust, waar de 1200 m. hoge bergen angstig dicht aan zee komen." Dat was zelfs in de jaren '50 van de vorige eeuw niet van enige overdrijving gespeend, en intussen is het gebied redelijk ontsloten door autowegen. Maar het is waar dat Kynouría tot op vandaag de dag verstoken is van de meeste zegeningen van het massatoerisme.

Terug naar inhoudsopgave


Kynouría in de Oudheid en later

Een geschiedenis van Kynouría die die naam verdient, is nauwelijks te schrijven; daarvoor is onze informatie te fragmentarisch. In de regel verschijnt Kynoúria alleen dan in onze bronnen, als de 'grote' Griekse geschiedenis toevallig het gebied eens aandoet. Lange periodes waarover informatie totaal ontbreekt, worden afgewisseld door korte episodes met een hoge informatiedichtheid.

In de Oudheid lagen in Kynouría twee 'stadstaatjes' van enige betekenis, Thyréa (met als kerngebied de regio rond Ástros en Áyios Andréas) en Prasiaí (met als kerngebied de regio rond Leonídio). Elk van beide poleis omvatte overigens meerdere neder­zettin­gen, waarvan de localisering voor archeo­logen en historici een niet gering probleem vormt: de antieke topografie van Kynouría is, aldus Graham Shipley, "fraught with debates and difficulties," zodat "attempts to identify named sites have led to an almost infinite variety of reconstructi­ons." De problemen hebben vooral betrekking op het noordelijke gedeelte van de streek, de Thyreátis. In literaire bronnen uit de Oudheid, bijvoorbeeld in de werken van geschiedschrijvers en geogra­fen, worden verschillende nederzet­tin­gen genoemd. Maar de plaats­aanduidingen in deze literaire bronnen zijn niet altijd even accuraat, en inscripties die uit­sluitsel zouden kunnen geven, zijn nauwelijks gevonden. Over de identificatie van nogal wat arche­ologische sites bestaat, kortom, de nodige discussie.

De Peloponnesus in de vijfde eeuw v.Chr.

Pas vanaf de archaïsche periode krijgen we enig zicht op de positie van het landschap in het kader van de relaties tussen de verschillende grotere poleis op de Peloponnesus. Als we Pausanias (Beschrijving van Griekenland 3.2.2) mogen geloven, verdreven de Spartanen in de vroege zesde eeuw v.Chr. alle volwassen mannen uit Kynouría. Vermoedelijk had deze etnische zuivering avant la lettre betrekking op het zuiden, de streek rond Leonídio en Tyrós. Vervolgens richtten de Spartanen hun begerige blikken op de Thyreátis, die tot op dat moment deel uitmaakte van het grondgebied van Argos. De geschiedschrijver Herodotus vertelt wat er gebeurde (Herodotus 1.82; vgl. Pausanias 2.38.5):
 
Door een samenloop van omstandigheden hadden de Spartanen net in die tijd [omstreeks 540 v.Chr.] een conflict met de Argiven. Het ging over een stuk grond, Thyrea geheten. De Lakedaimoniërs [= Spartanen] hadden dat land samen met de stad van het territorium van Argos afgescheiden en zich zomaar toegeëigend. (...) De Argiven kwamen meteen in actie om hun gestolen bezit te heroveren. In samenspraak met de Spartanen besloten ze echter tot de volgende oplossing: driehonderd man aan elke kant zouden het uitvechten, en wie overwon zou Thyrea krijgen. Een botsing tussen zwaargewapende infanteristen, zgn. hoplieten, afgebeeld op een protocorinthische vaas, ca. 640 v.Chr. - bron foto: http://www.hsc.csu.edu.au/ancient_history/historical_periods/greece/greek_world/hoplitewarfare.htmAfgesproken werd dat de hoofdmacht naar huis zou gaan en niet bij het gevecht zou blijven. Dat was zo geregeld om te voorkomen dat ze in de verleiding zouden komen in te grijpen als ze moesten toezien hoe hun voorvechters dreigden te verliezen. Onder deze voorwaarden trokken zij zich terug.
        De mannen aan wie de eer te beurt was gevallen om de zaak te beslissen, bleven achter en begonnen een handgemeen waarbij aan beide kanten evenveel slachtoffers vielen. Uiteindelijk waren van al die zeshonderd soldaten nog maar drie man over,  twee Argiven. Alkenor en Chromios, en één Spartaan, Othryadas. Zij hadden hun leven te danken aan het feit dat de nacht inviel. De twee Argiven eisten begrijpelijk de overwinning op en haastten zich naar hun vaderstad, maar Othryadas ontdeed eerst de gesneuvelde tegenstanders van hun wapens die hij naar zijn eigen kamp bracht, en nam daarna zijn plaats weer in.
        De volgende morgen kwamen de twee partijen pools­hoogte nemen. Allebei maakten ze vooralsnog aanspraak op de zege: de Argiven omdat bij hen meer overleven­den waren, en de Spar­tanen omdat hun kam­pioen op zijn post was gebleven terwijl het tweetal de benen had genomen, en omdat hij de lijken hun wapenrusting had ontnomen. Het gebekvecht eindigde in een knokpartij en de strijd laaide in alle hevigheid op. Na zware verliezen aan weerszijden zijn de Spartanen als overwinnaars uit de strijd gekomen.
        Vanaf die dag knippen de Argiven hun haar kort. Voordien moesten zij het volgens de wettelijke voorschriften laten groeien. Voortaan werd iedere man die zijn haar lang droeg en iedere vrouw die goud bleef dragen zolang Thyrea niet was herwonnen, officieel in de ban gedaan. Ook de Spartanen namen van toen af een nieuwe gewoonte aan die precies het tegenovergestelde inhield, want zij hebben sindsdien lange haren terwijl ze dat voorheen niet gewend waren.
        Het verhaal is nog niet af. Omdat Othryadas als enige van zijn compagnie van driehonderd het gevecht had overleefd, schaamde hij zich zo diep dat hij niet naar Sparta is teruggekeerd, maar zich ter plaatse in Thyrea van kant heeft gemaakt. [vertaling: Herodotos, Het verslag van mijn onderzoek. Vertaald, ingeleid en geannoteerd door Hein L. van Dolen, Nijmegen: SUN 1995]
 
Sinds de zesde eeuw v.Chr. maakte Kynouría dus deel uit van het Spartaanse territorium. Latere generaties bewaarden de herinnering aan de heroïek van de Argiven en Spartanen uit de zesde eeuw. Lucianus, een satiricus uit de tweede eeuw n.Chr., komt er herhaaldelijk op terug; in zijn ogen is de opoffering van zoveel mensenlevens voor een grensgeschil het toppunt van dwaasheid. In een van Lucianus’ geschriften doet de hoofdrolspeler verslag van een reis naar de hemel die hij onlangs heeft gemaakt. Tijdens die reis heeft hij ruimschoots de gelegenheid gehad zich te verbazen over de futiliteit van alle menselijke ambities (Lucianus, Icaromenippus 18; vgl. Charon 24; Rhetorum praeceptor 18):
 
Vooral grensconflicten wekten mijn lachlust. (...) Als ik naar de Peloponnesus keek en Kynouría gewaar werd, moest ik eraan denken hoeveel Argiven en Lakedaimoniërs op één dag voor zo’n onbeduidend lapje grond, niet meer dan een speldenknop,  waren gesneu­veld.
 
Meer dan een eeuw nadat Kynouría in Spartaanse handen was overgegaan, in 431 v.Chr., werden de inwoners van het eiland Aégina door de Atheners van huis en haard ver­dreven; de Spartanen stonden hun toe zich te vestigen in Thyréa (Thucydides 2.27 en 4.56; Pausanias 2.29.5). Tijdens de Pelo­pon­nesische oorlog tussen Athene en Sparta (431-404 v.Chr.) brandschatten de Atheners en hun bondgenoten met enige regelmaat de Kynourische kust; de Atheense geschiedschrijver Thucydides, die deze oorlog heeft geboekstaafd, maakt er consequent melding van.Pericles - Staatliche Museen zu Berlin - foto: Adam Carr, Wikimedia Commons <http://commons.wikimedia.org/wiki/File:Pericles_bust.jpg> In 430 v.Chr. viel een expeditie van 4300 man op 100 schepen onder commando van de Atheense politiek-militaire leider Pericles (afbeelding) Prasiaí aan; de stad werd ingenomen en verwoest (Thucydides 2.56.5-6). In 425/4 v.Chr. viel Thyréa hetzelfde lot ten deel door toedoen van de Atheense veldheer Nicias (Thucydides 4.56-57). In 414 v.Chr. was Prasiaí opnieuw aan de beurt: het territorium van de stad werd aangevallen en geplunderd (Thucydides 6.105.2 en 7.18.3), nadat eerder dat jaar de Argiven al de Thyreátis hadden gebrandschat (Thucydides 6.95.1).

Pas in 338 v.Chr. krijgt Argos, dankzij de Macedonische koning Philippus II, het gebied rond Thyréa weer terug (Pausanias 2.38.5 en 7.11.2; Polybius 9.28.6-7). In de derde eeuw, vermoedelijk na de Spartaanse nederlaag bij Sellasia tegen de Macedoniërs in 222 v.Chr., raakten de Spartanen ook het zuiden van Kynouría kwijt. Onze volgende gegevens hebben betrekking op de zgn. Bondgenotenoorlog (220-217 v.Chr.): een conflict tussen Macedonië en de Achaeïsche Bond enerzijds, de Aetolische Bond anderzijds. Het was een buitengewoon verwarrende oorlog, waarin op de Peloponnesus op den duur iedereen tegen iedereen vocht. In 219 v.Chr. schaarden de Spartanen zich aan de kant van de Aetoliërs; de Spartaanse koning Lycurgus viel, zo vertelt de geschiedschrijver Polybius (Polybius 4.36), het zuiden van Kynouría aan: hij heroverde onder andere Prasiaí en Políchne maar belegerde tevergeefs Glympeís. Een jaar later wist hij bij hetzelfde stadje een contingent Messeniërs, die zich met de Achaeërs hadden verbonden, tot een smadelijke aftocht te dwingen (Polybius 5.20).

Onder Romeinse heerschappij wordt Kynouría op den duur verdeeld: Argos bleef in het gelukkige bezit van Thyréa, Prasiaí ging deel uitmaken van de Bond van Vrije Laconiërs, waarin voorheen onder Sparta ressorterende gemeenschappen waren georganiseerd. Dat is in elk geval de situatie die Pausanias, auteur van een beschrijving van Griekenland uit de tweede eeuw n.Chr., aantrof (Pausanias 3.21.7 en 3.24.3). Herodes Atticus, Louvre Parijs - foto: Marie-Lan Nguyen/Wikimedia Commons <http://commons.wikimedia.org/wiki/File:Herodes_Atticus_Louvre_Ma1164.jpg>In diezelfde eeuw bezat Herodes Atticus (afbeelding), Atheens plutocraat en Romeins consul, een fraaie villa bij Thyréa. Zulke villa’s combineerden meestal een economische met een recreatieve functie: het was er aangenaam toeven, maar de noordelijke vlakte van Kynouría bood óók goede mogelijkheden voor de teelt van uiteenlopende gewassen. Herodes Atticus was puissant rijk en besteedde zijn ruime financiële middelen aan verschillende grote bouwprojecten, onder andere het odeion (gehoorzaal) aan de voet van de Atheense acropolis.
 
Over de geschiedenis van Kynouría ná de Oudheid heb ik niet veel gevonden; ik heb ook niet heel ijverig gezocht. In de periode tussen 600 en 800 vestigden Slaven zich op grote schaal op de Peloponnesus, en dat zal Kynouría ook wel niet helemaal onberoerd hebben gelaten. In Noord-Kynouría en het aangrenzende deel van Lakonía kwamen tot in de 20ste eeuw nog plaatsnamen voor die naar de smaak van de autoriteiten te Slavisch klonken en daarom door Griekse namen werden vervangen. Zo heette het tegenwoordige dorp Élatos tot 1926 Dragalevós, en Karyés tot 1930 Aráchova. In de dertiende eeuw maakte Kynouría enige tijd deel uit van het vorstendom Achaea, dat de deelnemers aan de Vierde Kruistocht ('Franken') uit het Byzantijnse rijk hadden gekerfd. Lang heeft dat niet geduurd, want rond 1270 was het gebied alweer in Byzantijnse handen; in de volgende anderhalve eeuw zou het zuidoosten van de Peloponnesus dienst doen als uitvalsbasis voor de herovering van het schiereiland op de Franken. Het kasteel op een heuvel ten zuiden van Áyios Ioánnis in Noord-Kynouría (Κάστρο της Ωριάς) zou heel goed uit deze periode van Frankisch-Byzantijnse confrontaties kunnen stammen, maar welke partij het heeft gebouwd is onduidelijk. Vermoedelijk omstreeks 1540 is Kynouría in Ottomaans bezit gekomen, in dezelfde tijd als de twee grote Venetiaanse vestingen aan de oostkust van de Peloponnesus, Náfplio in het noorden en Monemvasiá in het zuiden. De Griekse historica Evangelia Balta heeft op basis van Ottomaanse belastingregisters laten zien dat het de Zuidoost-Peloponnesus tijdens de Tourkokratía economisch voor de wind ging. Niet alleen produceerde de waterrijke regio rond de Párnonas een breed scala aan agrarische producten, inwoners van stadjes als Prastós verdienden ook goed aan overzeese handel. Vaak vestigden zulke handelaren zich voor kortere of langere tijd in Constantinopel, importeerden boter uit Rusland en van de Krim en verkochten die elders in het Ottomaanse rijk. Het daarmee verdiende geld werd vervolgens in het land van herkomst besteed, onder andere aan de bouw en decoratie met kunstwerken van herenhuizen, kerken en kloosters. Tijdens de Griekse onafhankelijkheidsoorlog is in de regio behoorlijk huisgehouden door Ibrahim Pasja, die vanaf 1825 in opdracht van de sultan de herovering van de Peloponnesus ter hand had genomen en die uiteindelijk bij Navarino zou worden gestuit, toen zijn vloot door de Engelsen, Russen en Fransen werd vernietigd (1827). Onder andere Prastós, destijds de belangrijkste plaats in het gebied, en Moní Loukoús, een klooster nabij Ástros, gingen in deze jaren in vlammen op. Eerder, in 1823, was in Ástros de tweede nationale vergadering van de opstandige Grieken bij elkaar gekomen voor de vaststelling van een nieuwe grondwet en de vorming van een nationale regering. Het kasteel bij Parálio Ástros is in deze jaren op de ruïnes van oudere vestingwerken opgetrokken.

Wat gegevens over Kynouría in de tweede wereldoorlog zijn te vinden in een tweetal artikelen van Stratís Kouniás, op de website www.leonidio.gr, en op de website van het bergdorp Kosmás. Tot de zomer van 1943 was in Leonídio een garnizoen van Italiaanse carabinieri gelegerd. In augustus van dat jaar werden die verdreven door de partizanen van de communistisch geleide verzetsbeweging EAM, die eind juli de Italianen een nederlaag hadden toegebracht bij Kosmás. Daarbij was de Italiaanse gouverneur van Trípoli gesneuveld.

 Monument voor de slag bij Kosmas, juli 1943 - foto: Jaap-Jan Flinterman, zomer 2013

Vanaf de zomer van 1943 was het grootste deel van Kynouría dus bevrijd gebied, maar in 1944 voerden de Duitsers, geholpen door Griekse collaborateurs, herhaaldelijk aanvallen uit in de regio. In januari 1944 ging Kosmás in vlammen op. Eind juni/begin juli (d.w.z. tijdens of direct na de graanoogst) van datzelfde jaar vond de laatste en grootste Duitse aanval plaats. Bij die gelegenheid vonden volgens Stratís Kouniás 400 à 500 burgers de dood. De Duitsers fusilleerden krijgsgevangen partizanen en voerden ongeveer 600 mensen als dwangarbeiders naar Duitsland. Enkele gevangenen werden gebruikt als gijzelaars om aanslagen op treinen te ontmoedigen: ze werden opgesloten in kooien die voor de locomotieven werden gekoppeld. Elf gevangenen werden op 6 juli in Leonídio geëxecuteerd. In de Griekse burgeroorlog vond de laatste grote veldslag op de Peloponnesus, in januari 1949, plaats bij Áyios Vassílios, in de zuidelijke Párnonas; meer informatie over de Griekse burgeroorlog in Kynouría vind je hier.

Terug naar inhoudsopgave



Bezienswaardigheden ...



... in  de omgeving van Ástros


Ongeveer vier kilometer ten noordwesten van Ástros (satellietfoto) liggen, rechts van de weg naar Trípoli, de resten van een villa van de Atheense miljardair Herodes Atticus (101/3-177/9 n.Chr.), een van de rijkste en aanzienlijkste mannen van het Romeinse rijk van de tweede eeuw en prominent vertegenwoordiger van de zgn. Tweede Sofistiek. Al in de eerste helft van de 19de eeuw werd het terrein bezocht door reizigers als de Brit Leake en de Fransman Blouet; begin 20ste eeuw werd het op basis van inscripties geïdentificeerd als de locatie van een villa van Herodes. Sinds 1980 is deze systematisch opgegraven door Griekse archeologen. Het centrale, tevens grootste deel van het complex werd gevormd door een langwerpige omsloten tuin met een west-oost-oriëntatie (eigenlijk is het noordwest-zuidoost, maar we gaan het niet te moeilijk maken en noemen de lange zijden de noord- c.q. zuidkant en de korte zijden de west- c.q. oostkant). De tuin was aan drie zijden door een zuilengalerij omgeven; de vloeren van de zuilengalerij waren gedecoreerd met mozaïeken. Inclusief de zuilengalerij meet dit deel van het complex ca. 80 bij ca. 32 meter. Een kunstmatige waterloop rond de tuin werd gevoed vanuit een brongebouw ('nymphaeum') aan de vierde, westelijke zijde. Aan de oostzijde van de tuin bevonden zich achter de zuilengalerij een eetzaal en woonvertrekken, met daarachter weer een zogenaamd 'Gartenstadium', dat zich naar het oosten toe opende met, opnieuw, een zuilengalerij. Van daaruit moeten Herodes en zijn gasten een schitterend uitzicht gehad hebben over de vlakte van de Thyreátis en de Argolische golf.

Uitzicht over de baai van Astros vanaf de villa van Herodes Atticus - Foto: Jaap-Jan Flinterman, zomer 2008

Ten noorden van de omsloten tuin lag een bouwwerk dat door de opgravers wordt aangeduid als 'Repräsentationsbasilika'; het stamt uit de tweede helft van de eerste eeuw n.Chr. en is het oudste gedeelte van de villa. Ten westen van de tuin lag een tweede basilica. Aan de zuidzijde van het complex lagen verschillende gebouwen; het meest oostelijke daarvan (eveneens een basilica) was volgens de opgravers een heiligdom voor Antinoüs, de jeugdige geliefde van keizer Hadrianus. Antinoüs was in het najaar van 130 tijdens een keizerlijk bezoek aan Egypte in de Nijl verdronken en door de ontroostbare keizer onder de goden opgenomen. De site is (nog) niet voor publiek toegankelijk, maar een wandeling langs het hek geeft een redelijke indruk van het complex, zoals blijkt uit de foto hieronder, die in 2008 is genomen. De muurresten op de voorgrond zijn restanten van het heiligdom voor Antinoüs.

Villa van Herodes Atticus, heiligdom van Antinoüs - foto: Jaap-Jan Flinterman, zomer 2008

Tijdens een bezoek in 2011 was de site nog steeds voor het publiek gesloten, maar er werd gewerkt aan een overkapping die de villa toegankelijk moet maken als openluchtmuseum. De overkapping in aanbouw maakt het complex er niet fotogenieker op: de resten van de bouwwerken worden ontsierd door een woud van gele metalen stangen en het geheel wordt gedomineerd door een bouwkraan. Maar het is natuurlijk goed nieuws dat aan openstelling wordt gewerkt. Onderstaande foto is genomen vanaf de noordelijke omheining. Op de voorgrond de resten van de 'Repräsentationbasilika'; de gele stangen op de achtergrond zijn waarschijnlijk bestemd voor de overkapping van de zuilengalerijen die de centrale tuin omringden.

Villa van Herodes Atticus, 'Repräsentationsbasilika' - foto: Jaap-Jan Flinterman, zomer 2011

Op de foto hieronder de apsis van de westelijke basilica. Op de achtergrond de bouwkraan en de gele stangen die de zuilengalerijen rond de centrale tuin markeren

Villa van Herodes Atticus, basilica ten westen van centrale tuin - foto: Jaap-Jan Flinterman, zomer 2011

Veel informatiever foto's dan deze zijn gemaakt door mensen die toestemming hadden om aan gene zijde van het hek rond te lopen of die de opgraving hebben bezocht toen er nog geen hek omheen stond. Zulke foto's kun je bijvoorbeeld vinden in de Classical archaeological image collection van de Universiteit van Aarhus in Denemarken (zoeken op 'Loukou') of op de website van Dr. Heinz Schmitz (doorscrollen naar 'Eva Dolianon Loukous'). Onderstaande foto, die aan deze website is ontleend, toont de omsloten tuin, vanuit het oosten gezien. Nog meer foto's hier: een pdf-bestand met foto's dat deel uitmaakt van de site van Parálio Ástros, www.astrosparalio.gr (drie foto's genomen vanuit een hoge positie die een goed beeld van de plattegrond van de site geven, en twee foto's van mozaïeken). Groen van jaloezie werd ik bij het bekijken van deze reisblog van 18 mei 2011: "There was a tall fence all around the site but the main gate was open with an unlocked padlock hanging on it. There was nobody on the site so we went in and spent some time looking around." Mooie foto's van de Repräsentationsbasilika en van de centrale tuin. Wel verontrustend is natuurlijk dat (i) het terrein klaarblijkelijk volstrekt onbewaakt was; en (ii) de schrijvers van de reisblog geen enkele activiteit op de site konden waarnemen ("It was quite obvious that no work had been done on the site for some time so it is anyone's guess when it will be finished."). Zelf was ik er begin augustus 2011, en dan kun je gebrek aan activiteit toeschrijven aan de bouwvakvakantie. Maar 18 mei? Hopelijk wordt Herodes' villa niet een van de slachtoffers van de penibele situatie van de Griekse staatsfinanciën. In elk geval maakt het ingenieursbureau dat voor de overkapping heeft getekend, daarmee in 2013 nog steeds reclame. Hoop doet leven.

De omsloten tuin vanuit het oosten - foto: Dr. Heinz Schmitz <http://www.outis.info/archaia_f/1411/eva.html>

Jennifer Tobin weet in haar studie over Herodes Atticus te vertellen dat op de site een kalkoven heeft gestaan; in de loop der tijden - de installatie werd pas in 1960 buiten bedrijf gesteld - zal daarin wel heel wat beeldhouwwerk zijn verdwenen. (Inmiddels zijn kalkovens als herinneringen aan een voorbij tijdperk ook al weer object van nostalgische gevoelens geworden: zie de fraaie foto's hier.) Maar er is ook de nodige sculptuur bewaard gebleven, bijvoorbeeld een cultusbeeld van Antinoüs, afgebeeld als de god Dionysus (hier, doorscrollen naar 'Astros'); portretten van keizer Hadrianus, van Lucius Aelius Caesar, Hadrianus' beoogde opvolger (overleden in 138 n.Chr.), van Herodes' pleegzoons Polydeucion en Memnon en van Herodes zelf; een Attisch wijreliëf voor Asclepius uit de vierde eeuw v.Chr.; en replica's van de zgn. Pasquinogroep (een beeldengroep van Ajax met het lijk van Achilles of Menelaüs met het lijk van Patroclus) en van een beeldengroep van Achilles met de amazone Penthesileia. Deze twee replica's waren opgesteld in respectievelijk de noordelijke en de zuidelijke zuilengalerij van de omsloten tuin. Zes karyatiden in de gedaante van amazones (foto hieronder) droegen, zo vermoeden de opgravers, de oostelijke zuilengalerij. Hun opstelling correspondeerde met de opstelling aan de westzijde, in zes nissen in de wand van het nymphaeum, van vrijstaande beelden, waarvan er één volledig is teruggevonden. Volgens een van de opgravers, G. Spyropoulos, ging het hier om de Saltantes Lacaenae van Callimachus, een beroemde beeldhouwer uit de late vijfde eeuw v.Chr. Herodes zou deze klassieke beelden van dansende Spartaanse vrouwen, die worden genoemd door Plinius (Naturalis Historia 34.92), hebben weten te bemachtigen en in zijn villa hebben opgesteld. Uit publicaties van Spyropoulos overgenomen foto's (o.a. van het beeld van de dansende vrouw en van de Achilles/Penthesileia-groep) zijn hier te vinden.

Karyatide in de gedaante van een amazone uit de villa van Herodes Atticus, Athene, Nationaal Museum (NM 705) - foto: www.livius.org

Klaarblijkelijk schrok Herodes er niet voor terug klassieke overblijfselen te verwijderen uit wat misschien wel de oorspronkelijke context was en over te brengen naar zijn villa. Het meest opzienbarende voorbeeld van die bereidheid wordt gevormd door een inscriptie met een lijst gesneuvelden van de Atheense fyle Erechtheis; het zou gaan om wat rest van de vermoedelijk tien grafstenen - één voor elk van de tien fylen - die ooit de laatste rustplaats van de Atheense gevallenen in de slag bij Marathon (490 v.Chr.) markeerden. Dit grafmonument is ca. 160 n.Chr. beschreven door Pausanias (Beschrijving van Griekenland 1.32.3). Herodes Atticus was zelf afkomstig uit de Atheense deme MarathonInscriptie met lijst van gevallenen van de fyle Erechtheis - herkomst foto: blogs.wabash.edu en geboortig uit een familie die claimde af te stammen van Miltiades, de Atheense bevelhebber in de beroemde confrontatie met een Perzisch landingsleger in 490 v.Chr. Behalve de inscriptie met de lijst van gevallenen uit de fyle Erechtheis zijn op de site van de villa ook fragmenten gevonden van twee andere soortgelijke inscripties (zelfde vorm van de letters en layout). Op basis van deze vondsten heeft G. Spyropoulos de nogal avontuurlijke hypothese geformuleerd dat Herodes het volledige grafmonument van Marathon naar zijn villa in Kynouría zou hebben laten overbrengen; zo zou de grote sofist zijn Peloponnesische villa met een tastbare herinnering aan het roemrijke verleden van zijn vaderstad en zijn geslacht hebben willen verrijken. Bij Marathon zou hij vervolgens de grafheuvel hebben laten opwerpen die daar nog steeds valt te bewonderen en die daar dus niet sinds de vijfde eeuw v.Chr., maar sinds de tweede eeuw n.Chr. zou liggen. Enige scepsis ten aanzien van deze reconstructie is voorlopig overigens wel op z'n plaats. Jona Lendering stelde in een blog van 12 september 2010 over deze aangelegenheid dat hij "would like to see some additional proof." Daar ontbreekt het tot dusverre aan: om aannemelijk te maken dat de grafheuvel niet uit de vijfde eeuw v.Chr., maar uit de tweede eeuw n.Chr, stamt, zou je tenminste de aanwezigheid in de grafheuvel van materiaal uit de periode van de vierde eeuw v.Chr. tot de eerste eeuw n.Chr. moeten kunnen aantonen. In een recent Griekstalig boekje, De grafstenen van de gevallenen in de slag bij Marathon uit de villa van Herodes Atticus in Éva in Kynouría (Athene 2009), verwijst Spyropoulos op dit punt naar een gedetailleerder analyse in een boek dat nog moet verschijnen. Walter Ameling verwerpt in een artikel uit 2011 dit deel van de hypothese dan ook: hij ziet geen reden om aan te nemen dat het monument bij Marathon rond het midden van de tweede eeuw n.Chr. een geheel ander aanzien heeft gekregen.

Ten aanzien van de authenticiteit van de inscriptie wil Ameling zich nog niet vastleggen, maar hij wijst er wel op dat de vorm van de letters en de lay out het minder aannemelijk maken dat we met een kopie uit de Keizertijd te maken hebben. Op de eigenaardige layout wordt verder ingegaan in een artikel uit 2012 van Catherine Keesling: voor elke naam is op de inscriptie één regel gereserveerd, en in elke regel staan de letters ter hoogte van de spaties tussen de letters in de voorafgaande en volgende regel. Keesling wijst op parallellen voor deze layout in Attische inscripties uit de late zesde en vroege vijfde eeuw v.Chr. De gedachte dat in de villa bij Ástros inderdaad een van de tien grafstenen voor de Atheense gevallenen in de slag bij Marathon is gevonden, vindt momenteel vrij algemeen ingang (al ontbreken sceptische geluiden evenmin, zie bijvoorbeeld hier). De tekst van het epigram boven de lijst van gesneuvelden van de fyle Erechtheis is hier te vinden, met Engelse vertaling en een verwijzing naar de eerste serieuze wetenschappelijke publicatie van de tekst van de inscriptie [G. Steinhauer, Horos 17-21 (2004-2009), 679-692]. De inscriptie zoals gepubliceerd door Steinhauer heeft inmiddels ook het Supplementum Epigraphicum Graecum gehaald (SEG LVI 430); het SEG is het jaarlijks verschijnende verzamelwerk van alle nieuw gevonden Griekse inscripties (en van nieuwe publicaties over al langer bekende epigrafische teksten). Ook in een recent boek over Marathon gaat Steinhauer kort in op de vondst in de villa van Herodes. Hij lijkt geen twijfels te hebben over de authenticiteit van de inscriptie, maar de theorie van Spyropoulos over de grafheuvel bij Marathon neemt hij niet voor z'n rekening. Enkele voorstellen voor verbetering van de door Steinhauer gepubliceerde tekst en een aangepaste Engelse vertaling zijn te vinden in een bijdrage van Pierre MacKay aan deze blog van 9 april 2011; daar ook een behoorlijk scherpe zwartwitfoto en een tekening van de steen. Een Duitse vertaling tref je hier aan.

De soevereine toeëigening van Atheens erfgoed door Herodes Atticus krijgt extra reliëf in het licht van zijn eigen begrafenis en van de wederwaardigheden van zijn grafmonument. Nog niet zo lang geleden is daarover een fascinerend artikel verschenen van de hand van Joseph L. Rife, waaraan ik de volgende gegevens ontleen. Herodes had zelf te kennen gegeven dat hij wilde worden begraven in Marathon, immers de buurtschap waar hij vandaan kwam. Maar toen de sofist eind jaren '70 van de tweede eeuw het tijdelijke voor het eeuwige verwisselde, respecteerden de Atheners zijn laatste wens niet: zij wilden de grote overledene een officiële begrafenis in de stad geven. Zo gezegd zo gedaan: het stoffelijk overschot werd geconfisqueerd, door de Atheense jeugd in processie naar de stad gedragen, en daar bijgezet bij het marmeren stadion dat Herodes zelf voor de Panathenaeïsche spelen van 140 n.Chr. had laten optrekken; volgens Rife liggen de resten van het grafmonument boven het stadion, op bijgaande afbeelding rechtsHet Panathenaeïsche stadion na de opgravingen van 1869/70 - herkomst foto: <http://en.wikipedia.org/wiki/File:Panathinaiko_Stadio_1870.JPG>Tijdens of kort na de begrafenis werd bij het graf een altaarsteen geplaatst, gewijd aan 'Herodes, de heros van Marathon'; als zodanig genoot de overledene kennelijk cultische verering. Rife, die toen hij het artikel schreef nog niet op de hoogte lijkt te zijn geweest van de vondst in de villa bij Ástros, merkt terecht op dat de aanduiding 'heros van Marathon' bij de voorbijgangers onvermijdelijk associaties moet hebben opgeroepen met de Atheense hoplieten die in 490 v.Chr. in de strijd tegen de Perzen waren gesneuveld. De tekst op de altaarsteen zou, zo moeten de opstellers hebben gehoopt, ongeveer hetzelfde effect sorteren als een begrafenis in Marathon zelf zou hebben gehad: een blijvende verbinding van de nagedachtenis van Herodes met de herinnering aan de historische slag. Onbedoeld moet de inscriptie op de altaarsteen echter ook in herinnering hebben geroepen hoe Herodes zich, minder dan twintig jaar eerder, aan het gedenkteken voor de gevallenen van Marathon had vergrepen. De sofist was in zijn vaderstad altijd een controversiële figuur geweest, en veel Atheners zullen niet al te rouwig zijn geweest om zijn verscheiden. Onenigheid tussen grote delen van de Atheense burgerij en Herodes had nog in 174 tot een proces ten overstaan van keizer Marcus Aurelius geleid. Ook met de privatisering en verhuizing naar de Peloponnesus van een nationaal monument hors catégorie had hij vast niet uitsluitend bijval geoogst. Vermoedelijk binnen enkele decennia na het overlijden van de sofist verwijderde iemand Herodes' naam van de altaarsteen voor de heros van Marathon; ook de naam van de oprichter van de steen werd weggebeiteld. Wat de onbekende bewogen heeft de beitel ter hand te nemen weten we niet, maar het is een aantrekkelijke gissing dat hij onder andere aanstoot had genomen aan Herodes' behandeling van het grafmonument van de échte helden van Marathon. Overigens werd Herodes' sarcofaag kort na 250, zo'n driekwart eeuw na zijn begrafenis, hergebruikt. "[H]is memory at Athens had (...) shifted dramatically," concludeert Rife.

Genoeg over Athene, terug naar Kynouría. Het museum van Astros, waar de meeste vondsten uit de villa van Herodes een onderdak hebben gevonden, is voor onbepaalde tijd gesloten; deze sluiting hangt vermoedelijk samen met een reorganisatie, noodzakelijk geworden door de talrijke nieuwe vondsten rond Herodes' villa sinds de jaren '80 van de vorige eeuw. Overigens is het museum ook zonder bezichtiging van de collectie antiquiteiten wel een bezoek waard, vanwege de prachtige tuin, en omdat het een historische plek op zich is: in 1823 kwam de tweede nationale vergadering van de Griekse opstandelingen tegen de Ottomaanse overheersing hier bijeen.

Het museum van Astros - foto: Jaap-Jan Flinterman, zomer 2008

Enkele vondsten uit de omgeving van de villa van Herodes zijn te bezichtigen in het Museum in Tripoli en in het Nationaal Archeologisch Museum in Athene. Jona Lendering maakte in Athene voor mij onderstaande foto van een reliëf met een afbeelding van een jongeman (het museumnummer is NM 1450; het reliëf meet 97 bij 68 cm). De vaas op de zuil rechts is een zgn. loutrophoros; dergelijke vazen werden regelmatig gebruikt als grafmarkering. Het reliëf is dus vervaardigd na het overlijden van de afgebeelde jongen, maar deze is door zijn nabestaanden geheroïseerd en als heros object van cultische verering geworden. Onder andere zijn 'heroïsche' naaktheid wijst in die richting, evenals de slang die hij met zijn rechterhand voert, en de wapenrusting waarvan de onderdelen over het reliëf verspreid zijn afgebeeld. Het reliëf is vervaardigd in de decennia rond het midden van de tweede eeuw, maar de kunstenaar heeft zich laten inspireren door grafreliëfs uit de Hellenistische periode, zgn. 'heroënreliëfs'. Het reliëf uit de villa van Herodes is geen grafreliëf, maar het zou wel een functie als 'gedenksteen' gehad kunnen hebben. Het is een aantrekkelijk vermoeden dat de afgebeelde jongen een van de drie pleegzoons van Herodes is, die alledrie op jeugdige leeftijd stierven en om wie Herodes rouwde alsof hij zijn eigen kinderen had verloren: Achilles, Memnon en Polydeucion (Philostratus, Levens van de sofisten 558-9). Over de vraag of één van de drie is afgebeeld en zo ja, wie, bestaat onder de geleerden verschil van mening. Polydeucion lijkt op het eerste gezicht de beste kandidaat, omdat hij de enige pleegzoon van Herodes is van wie wij weten dat hij het object van een heroëncultus is geworden. Maar de auteur van de meest recente uitvoerige behandeling van het reliëf die mij bekend is, kiest toch voor Achilles. Een van zijn argumenten is moeilijk weerlegbaar: de afgebeelde jongen lijkt helemaal niet op Polydeucion, van wie we talrijke portretten bezitten. Van Achilles hebben we geen één portret over, maar de prominente aanwezigheid van wapens zou goed passen bij een overledene die de naam van de grootste Griekse krijgsheld voor Troje had gedragen.

Reliëf uit villa Herodes Atticus - foto: www.livius.org

Op dezelfde hoogte als de villa van Herodes Atticus bevindt zich ter linkerzijde van de weg naar Trípoli Moní Lou­koús, volgens Da­niël Koster 'een van de betoverendste kloos­ters van de Pelo­pon­nesus'. Het klooster is in de dertiende eeuw gesticht als mannenklooster; sinds 1946 wordt het bewoond en onderhouden door nonnen. Uit de volledige naam van het klooster, Ιερά Μονή τής Μεταμορφώσεως τού Σωτήρος Χριστού, blijkt dat het is gewijd aan de Transfiguratie van Christus; vgl. voor de orthodoxe iconografie van deze episode uit de evangeliën (Matteüs 17; Marcus 9; Lucas 9) dit fresco in het Servische klooster Gračanica in Kosovo. De bijnaam van het klooster, 'Loukoús', wordt in de regel in verband gebracht met het Latijnse lucus, 'heilig woud', maar hoe dit Griekse klooster aan een Latijnse bijnaam is gekomen, blijft een raadsel. Misschien heeft het iets te maken met het feit dat het klooster ten tijde van de Frankische overheersing van de Peloponnesus enige tijd in handen van de (rooms-katholieke) Capucijner orde is geweest.

Moní Loukoús - foto: Jaap-Jan Flinterman, zomer 2008

De kerk van Moní Loukoús stamt uit de twaalfde eeuw en schijnt hier al te hebben gestaan voordat het klooster werd gesticht; er bestaan zelfs aanwijzingen dat de twaalfde-eeuwse kerk een voorganger uit de vijfde of zesde eeuw heeft gehad. Bij de verwoesting van het klooster door de troepen van Ibrahim Pasja, in 1826, bleef de kerk gespaard. Naar verluidt werden Ibrahims soldaten afgeschrikt door een icoon van Sint Eustathius, die begon te bloeden toen hij door een soldaat werd gemaltraiteerd.

De kerk van Moní Loukoús - foto: Jaap-Jan Flinterman, zomer 2008

Bij de bouw van de kerk zijn op grote schaal bouwmaterialen van de nabijgelegen ruïnes van de villa van Herodes Atticus gerecycled. Bijvoorbeeld voor de ophanging van de kerkklok heeft men een buitengewoon creatieve oplossing gekozen.

Moní Loukoús - De kerkklok - foto: Jaap-Jan Flinterman, zomer 2008

Vlak ten zuidoosten van Moní Loukoús ligt een merkwaardig aquaduct, volledig overgroeid met kalkaanslag. Zowel Faklaris als Goester houden het erop dat het uit de Romeinse periode dateert; het vermoeden dat het een rol heeft gespeeld bij de wateraanvoer voor de villa van Herodes ligt voor de hand. Een hele mooie serie foto's uit najaar 2012, zowel van het aquaduct als van de villa, vind je hier.

Aquaduct bij Moní Loukoús - foto: Jaap-Jan Flinterman, zomer 2011

Ruim drie kilometer ten westen van Ástros ligt Parálio Ástros ('Ástros aan Zee'). Het is gebouwd tegen de zuidelijke helling van een in zee uitstekende heuvel met twee toppen (satellietfoto). Op de zuidelijke top ligt een imposant kasteel, dat in zijn huidige vorm uit de jaren 1824-1825 dateert, d.w.z. uit de tijd van de Griekse onafhankelijkheidsoorlog, maar dat is opgetrokken op de ruïnes van een oudere vesting.

Het kasteel van Parálio Ástros, noordwestelijke toren - foto: Jaap-Jan Flinterman, zomer 2010

Aan de westkant, de landzijde, van de heuvel zijn ten noorden van het kasteel de resten van een muur uit de Oudheid zichtbaar (foto hieronder). Deze wordt in de regel in verband gebracht met een Atheense aanval op de Thyreátis in 425/4 v.Chr. Zoals we hierboven hebben gezien, hadden de Aegineten in 431 v.Chr. van de Spartanen toestemming gekregen zich in Thyréa te vestigen, maar werden ze daar in 425/4 v.Chr. door een Atheense vloot aangevallen. Ze zagen zich, aldus de geschiedschrijver Thucydides, genoodzaakt de muur bij de zee, die ze net aan het bouwen waren, op te geven en zich terug te trekken op de bovenstad, die ongeveer tien stadiën (ca. twee kilometer) van zee lag (Thucydides 4.57). Vrij algemeen wordt de muur ten noorden van het kasteel geïdentificeerd als Thucydides' 'muur bij de zee'.

De muur van de Aegineten - foto: Jaap-Jan Flinterman, zomer 2010

Het uitzicht van de heuvel bij zee boven Parálio Ástros in zuidelijke richting (foto hieronder) geeft een goede indruk van de geleding van de kust van Kynouría, met de talrijke baaien en kapen.

Uitzicht in zuidelijke richting vanaf de heuvel aan zee boven Parálio Ástros - foto: Jaap-Jan Flinterman, zomer 2010

Ongeveer acht kilometer ten zuidwesten van Ástros, boven de weg naar Áyios Pétros (satellietfoto), ligt in de buurtschap Ellinikó de heuvel Tichió (foto hieronder), met resten van een ommuurde nederzetting uit de Oudheid. De identificatie van de site is omstreden. Walker en Faklaris denken dat hier de belangrijkste stad van noordelijk Kynouría, Thyréa, lag; de meeste experts, onder wie Pritchett, Goester en Shipley, houden het erop dat dit de overblijfselen zijn van Eva, een groot dorp dat door Pausanias (Beschrijving van Griekenland 2.38.6) wordt vermeld. Behalve over de identificatie lopen de meningen ook uiteen over de datering van het meest in het oog springende restant van de nederzetting, de ommuring met een omtrek van ca. één kilometer. Goester betoogt dat de muur uit de tweede helft van de vierde eeuw stamt en vermoedt dat de bouw ervan samenhing met de herinbezitneming van de Thyreátis door Argos in 338 v.Chr. Faklaris, die van mening is dat hier Thyréa lag, denkt dat een deel van de muur al in de late vijfde eeuw v.Chr. is opgetrokken door de Aegineten, die dit gebied immers met Spartaanse toestemming bewoonden tussen 431 en 425/4 v.Chr.

Tichió bij Ellinikó Ástrous, locatie van een belangrijke antieke nederzetting - foto: Jaap-Jan Flinterman, zomer 2010

Onder de top zijn resten van de ommuring redelijk zichtbaar (foto hieronder) vanaf een pad dat rond de zuidzijde van de heuvel loopt.

De zuidwestzijde van Tichió, met resten van de ommuring - foto: Jaap-Jan Flinterman, zomer 2010

De meest imposante muurresten, ruim 20 meter lang en tot meer dan 3,5 meter hoog, zijn aan de noordzijde te vinden. We beperken ons tot dit deel van de ommuring. Om te beginnen een foto (hieronder) die van enkele honderden meters afstand is genomen.

Resten van de ommuring van Tichió aan de noordzijde - foto: Jaap-Jan Flinterman, zomer 2011

Een paar foto's, genomen tijdens wandelingen rond en naar de top van de heuvel, illustreren de strategische ligging van de nederzetting. Niet alleen lag deze hoog boven de vlakte van Ástros en de Argolische golf ...

Uitzicht vanaf Tichió in oostelijke richting - foto: Jaap-Jan Flinterman, zomer 2010

... ze controleerde ook de landwegen die ten noorden van het centrale massief van de Párnonas naar de centrale Peloponnesus, naar Sparta en Tegea, leidden.

Uitzicht vanaf Tichió naar het zuidwesten op de Párnonas - foto: Jaap-Jan Flinterman, zomer 2010

Beklim je de heuvel langs een geitenpad aan de noordoostzijde, dan passeer je de ommuring op het meest noordoostelijke punt. Dit is toren no. 1 (foto hieronder) in de nummering van Goester, de uitvoerigste en meest informatieve beschrijving van de site.

Tichió, het meest noordoostelijke bolwerk in de ommuring - foto: Jaap-Jan Flinterman, zomer 2011

Ongeveer 25 meter oostelijker ligt toren no. 2 (foto hieronder), en van daaraf begint het aaneengesloten stuk goed geconserveerde muur dat op de foto hierboven zichtbaar is.

Tichió, Toren no. 2 Goester - foto: Jaap-Jan Flinterman, zomer 2011

Aan de binnenzijde reikt het bodemniveau tot aan de top van de muur (foto hieronder), en al lijkt op de foto hierboven de muur van buitenaf eenvoudig te benaderen, dat valt door de gesteldheid van het terrein in de praktijk nogal tegen.

Tichió, de muur aan de noordzijde van bovenaf gezien - foto: Jaap-Jan Flinterman, zomer 2011

Vandaar dat de bezoeker van deze webpagina het moet doen met een in buikligging genomen foto, waarbij Uw fotograaf de camera zover mogelijk boven de diepte hield, toen hij afdrukte.

Tichió, de muur aan de noordzijde gefotografeerd van bovenaf over de rand - foto: Jaap-Jan Flinterman, zomer 2011

Ongeveer 400 meter ten noordoosten van Tichió, op een plek die lokaal bekend staat als Anemomylos, ligt een bouwsel dat in 1960 als provisorisch onderkomen is opgetrokken en waarvan het dak inmiddels alweer is ingevallen ...

Tempeltje bij Tichió vanuit zuidwesten - foto: Jaap-Jan Flinterman, zomer 2011

... maar waarvan het onderste gedeelte bestaat uit goed geconserveerde resten van een gebouwtje uit de Oudheid met een oppervlak van een kleine tien bij zes meter.

Resten van tempeltje bij Tichió vanuit zuidoosthoek - foto: Jaap-Jan Flinterman, zomer 2011

Vermoedelijk gaat het om een tempel(tje). Het gebouwtje was opgetrokken uit zorgvuldig gehouwen blokken kalksteen, die zowel aan de buiten- ...

Resten van tempeltje bij Tichió, westelijke deel van de zuidmuur - foto: Jaap-Jan Flinterman, zomer 2011

... als aan de binnenzijde goed zichtbaar zijn. Faklaris dateert het tempeltje in de tweede helft van de vierde eeuw v.Chr. Meer foto's van het gebouwtje kun je vinden op deze webpagina van de Duitstalige site www.argolis.de.

Resten van tempeltje bij Tichió, binnenzijde noordmuur - foto: Jaap-Jan Flinterman, zomer 2011

Áls op Tichió inderdaad Eva heeft gestaan, dan zou dit de tempel van de genezende godheid Polemocrates kunnen zijn geweest die zich volgens Pausanias (Beschrijving van Griekenland 2.38.6) bij Eva bevond. Voor deze identificatie pleit de vondst bij de resten van het tempeltje van een dakpan met het stempel ΕΥΑΤΑΝ ΔΑΜΟΣΙΟΙ, wat impliceert dat het gebouwtje ressorteerde onder publieke functionarissen van Eva. Polemocrates was een genezende halfgod, die als kleinzoon van Asclepius werd beschouwd. Overigens lijkt inmiddels, na de vondst van een tweede dakpan met het stempel ΕΥΑΤΑΝ, dit keer zeker afkomstig uit het ommuurde stadsgebied, het debat over de identificatie van Tichió wel definitief in het voordeel van Eva beslecht. In de woorden van de publicatie uit 2009 van Grigoris Grigorakakis waarin de vondst van de tweede dakpan werd gemeld: "The identification of Teichio with ancient Eva is considered certain, since two stamped tiles from it bear the ethnic ΕΥΑΤΑΝ ."

Terug naar inhoudsopgave


... in  de omgeving van Áyios Andréas


Nisí Ayíou Andréa, een heuvel aan de kust ten zuiden van de monding van de Vrasiátis (satellietfoto), is bezaaid met resten van een stedelijke nederzetting uit de klassieke periode, met ommuring en rechthoekig stratenplan. Ook van deze site is de identificatie omstreden. Volgens Faklaris lag hier het onder andere door Thucydides (Thucydides 5.41.1-2) en Pausanias (Beschrijving van Griekenland 2.38.6) genoemde Anthéne (Ἀνθήνη), de voorkeur van Pritchett ging uit naar Thyréa, herbouwd na de Atheense raid van 425/4 v.Chr. (Thucydides 4.56-57), en Shipley houdt zich in recente publicaties op de vlakte, hetgeen misschien wel zo verstandig is; eerder heeft hij in navolging van Pritchett het wetenschappelijke debat over de historische topografie van de Thyreatis eens getypeerd als een stoelendans, 'a game of musical chairs'.

De heuvel aan zee, gezien vanaf het noorden - foto: Jaap-Jan Flinterman, zomer 2008

Maar wat er ook mag hebben gelegen, Nisí Ayíou Andréa is zonder meer de moeite van een bezichtiging waard. De foto hierboven is vanaf ruim een kilometer ten noorden van de monding van de Vrasiátis genomen en laat de ligging van de heuvel aan zee zien. De foto hieronder toont het uitzicht vanaf de heuvel op de monding van de Vrasiátis, bij het haventje van Paralía Ayíou Andréa.

Uitzicht op de monding van de Vrasiátis - foto: Jaap-Jan Flinterman, zomer 2008

De enigszins schematische kaart van de ommuring van Nisí Ayíou Andréa, hieronder, is ontleend aan Kynouria van Israel Walker (1936), "the first study of the region illustrated with many photographs and drawings."

De ommuring van Nisí Ayíou Andréa - kaart uit Walker (1936)


Vanaf Nisí Ayíou Andréa heb je (en vanuit de ommuurde nederzetting had men) in noordwestelijke richting uitzicht over de benedenloop van de Vrasiátis, die door het zuidelijke gedeelte van de vlakte van Ástros stroomt (als de rivier tenminste niet, zoals op de foto hieronder, is drooggevallen).

De benedenloop van de Vrasiátis - foto: Jaap-Jan Flinterman, zomer 2010

De muurresten op de foto hieronder zijn overblijfselen van wat op het kaartje hierboven wordt aangeduid als de 'inner wall', de binnenmuur die de eigenlijke nederzetting scheidde van de lager, aan zee gelegen, bebouwing.

Nisí Ayíou Andréa - foto: Jaap-Jan Flinterman, zomer 2008

Op de top van de heuvel staat een kerkje, omgeven door een tuin met pijnbomen. De poort in de omheining is gebouwd op wat vermoedelijk een bolwerk van de 'acropolis' van de nederzetting was: het hoogste, van een afzonderlijke ommuring voorziene, gedeelte van de heuvel.

Nisí Ayíou Andréa - De top van de heuvel - foto: Jaap-Jan Flinterman, zomer 2008

Op de foto hieronder een gedeelte van wat van de muur tussen de kapel/acropolis en de 'inner wall', het noordwestelijke deel van de ommuring, resteert.

Nisí Ayíou Andréa - De muur ten noordwesten van de kapel - foto: Jaap-Jan Flinterman, zomer 2010

Enkele kilometers stroomopwaarts (satellietfoto), voor zover je het woord 'stroomopwaarts' kunt gebruiken in het geval van een rivier die een groot deel van het jaar droogvalt, ligt de ruïne van een brug over de Vrasiátis uit de Ottomaanse periode: ooit vermoedelijk een belangrijke schakel in een netwerk van kalderímia (muildierpaden) dat de steden en dorpen in de regio met elkaar verbond.

Ottomaanse brug over de Vrasiátis - foto: Jaap-Jan Flinterman, zomer 2008

De brug ligt op de plaats waar de moderne weg naar Cherronísi (een heuvel aan de kust zo'n twee km ten noorden van Nisí Ayíou Andréa) de rivierbedding kruist. Cherronísi betekent 'schiereiland'. Onderstaande foto is genomen vanaf Nisí Ayíou Andréa. Op de voorgrond de monding van de Vrasiátis. Cherronísi is de tweede landtong die in zee uitsteekt. Je ziet meteen waar de naam Cherronísi vandaan komt.

Cherronísi gezien vanaf Nisí Ayíou Andréa - Foto: Jaap-Jan Flinterman, zomer 2010

Cherronísi markeert de zuidelijke begrenzing van de baai van Ástros. De foto hieronder toont  het uitzicht vanaf Cherronísi over de baai; in de verte de dubbele heuvel waarop Parálio Ástros is gebouwd.  

Uitzicht over baai van Ástros vanaf Cherronísi - foto: Susanne Feiertag, zomer 2013

Eveneens vanaf Cherronísi genomen, nu in zuidwestelijke richting, is de volgende foto van de zuidoostelijke uitlopers van de Párnonas.  

Uitzicht vanaf Cherronísi op voorgebergte van Párnonas - foto: Susanne Feiertag, zomer 2013

Nog even terug naar de vervallen brug over de Vrasiátis. Het moge duidelijk zijn dat de plek een bijzondere bekoring heeft voor liefhebbers van de westerns van Sergio Leone. Op de achtergrond het centrale massief van de Párnonas.

Vervallen Turkse brug over de Vrasiátis met Párnonasgebergte op de achtergrond - Foto: Jaap-Jan Flinterman, zomer 2011

Rijd je vanuit Áyios Andréas zo'n 30 km langs de kustweg naar het zuiden, dan ben je bij Tyrós. Tijdens de rit ben je de grens gepasseerd tussen de twee gemeentes waarin Kynouría tegenwoordig is verdeeld (Noord- en Zuid-Kynouría). Het juiste moment om je erop te attenderen dat Noord-Kynouría een plezierig ogende eigen website heeft: Discovering Kynouría.

Terug naar inhoudsopgave



... in  de omgeving van Tyrós


Op een kaap ten zuiden van Paralía Tyroú  (satellietfoto) liggen de resten van een stedelijke nederzetting uit de Oudheid. Met name aan de noordzijde zijn delen van een ommuring bewaard gebleven, ongeveer 300 meter, met één halfrond en vier vierkante bolwerken, op sommige plaatsen tot 4 meter hoogte. De muur, die door Faklaris in het begin van de derde eeuw v.Chr. wordt gedateerd, is 2.30 meter dik.

Een bolwerk in de ommuring van het antieke Tyros - foto: Jaap-Jan Flinterman, zomer 2010

Hier lag ongetwijfeld de antieke nederzetting Týros (Τύρος), die wordt vermeld in een inscriptie uit de derde eeuw v.Chr. (Fouilles de Delphes III i 68) en in het geografische lexicon (643.5) van Ste­phanus van Byzantium (zesde eeuw n.Chr.). Týros beleefde  een bloeiperiode in het Hellenistische tijdvak, maar bestond voort tot in de Romeinse periode. De (antieke) naam van de stad houdt vermoedelijk verband met de cultus van Απόλλων Τυρίτας (Apollo Tyrítas). Er loopt een voetpad van de weg Tyrós-Leonídio naar de antieke ommuring, maar wie wel eens heeft geprobeerd bij de overblijfselen van de antieke nederzetting te komen, weet dat dit door de gesteldheid van het terrein geen eenvoudige opgave is.

De kust tussen Péra Mélana en Paralía Tyroú
(Link openen in Google Earth)

Schamele overblijfselen van een heiligdom voor Apollo Tyrítas liggen op een heuvel ten zuiden van Tyrós, Profítis Ilías Melánon, (Προφήτης Ηλίας Μελάνων), hoogte 564 meter, tussen Sapounakéika en Péra Mélana. Bij opgravingen zijn architectonische fragmenten van een kleine tempel uit de zesde eeuw v.Chr. aangetroffen. De plaats van de tempel kon niet met zekerheid worden vastgesteld; vermoedelijk lag hij onder de kapel die nu op de heuveltop staat.

De kapel op de Profítis Ilías Melánon - foto: Jaap-Jan Flinterman, zomer 2010

Enkele meters ten noorden van de kapel zijn sporen van een vierkant altaar aangetroffen (foto hieronder), en in het noordwesten muurwerk, beide uit vierde eeuw v.Chr. De wijgeschenken voor de god die de opgravers hebben gevonden, dateren vooral uit de Archaïsche periode. Er is hier een cultusplaats geweest van de achtste tot de vierde eeuw v.Chr.; van de zevende tot de vijfde eeuw v.Chr. beleefde het heiligdom een bloeiperiode. Meer foto's van deze heuveltop en van enkele vondsten, nu in het Nationaal Archeologisch Museum in Athene, vind je hier.

Fundamenten van altaar voor Apollo Tyritas ten noorden van de kapel op de Profítis Ilías Melánon - foto: Jaap-Jan Flinterman, zomer 2010

Onderstaande foto, genomen vanuit het noordwesten, laat de locaties zien van de antieke nederzetting (linksonder, aan zee, op de heuvel Kástro, gaat deels schuil achter de olijfbomen op de voorgrond) en van het religieuze centrum van de gemeenschap, het heiligdom van Apollo Tyrítas (op de Profítis Ilías, de heuvel centraal op de foto).

Kástro Tyroú en de Profítis Ilías - foto: Jaap-Jan Flinterman, zomer 2010

Over een van de wijgeschenken voor Apollo Tyrítas bestaat een interessant Nederlandstalig artikel van C.M. Stibbe, 'Een curieuze dedicatie', Hermeneus 63.5, 1991, 332-336 (om het artikel te vinden moet je doorscrollen naar de aangegeven pagina's). Het gaat om een Attische schaal, die rond 525 v.Chr. is vervaardigd en die volgens de erop aangebrachte inscriptie aan Apollo is gewijd door een zekere Euteigonidas, die daarbij optrad 'namens Dorieus'. Stibbe betoogt dat het heel plausibel is dat het bij deze Dorieus gaat om een Spartaanse koningszoon wiens lotgevallen uitvoerig worden beschreven door de geschiedschrijver Herodotus (Hdt. 5.39-48). Deze moest de troon aan zijn oudere halfbroer Cleomenes laten en leidde vervolgens twee kolonisatiepogingen, de een naar Libië, de ander naar Sicilië. Beide pogingen mislukten, en Dorieus vond op Sicilië de dood. Stibbe vermoedt dat Dorieus kort voor zijn vertrek naar het eiland, omstreeks 510 v.Chr., de Attische schaal aan Apollo heeft laten wijden. Stibbes interpretatie van de inscriptie op de schaal is overigens niet geheel onomstreden en wordt in twijfel getrokken door M. Steinhart en E. Wirbelauer, Chiron 30, 2000, blz. 265 met n. 41.

De hoogvlakte van Palióchora - foto: Jaap-Jan Flinterman, zomer 2008

Achter de kuststrook ter hoogte van Tyrós ligt de hoogvlakte van Palióchora, in de zomer een bijna Afrikaans aandoend savanne-landschap (foto hierboven). Pausanias (Beschrijving van Griekenland 3.24.4) weet te melden dat de inwoners van de stad Prasiaí, aan de kust bij Leonídio, oorspronkelijk Oreiátai werden genoemd. In de moderne literatuur over de regio wordt de mededeling over de naamsverandering meestal met een stevige korrel zout genomen. Aannemelijker lijkt het dat op de hoogvlakte van Palióchora nederzettingen lagen die vooral in de zomermaanden werden bewoond en waarvan de inwoners, de 'bergbewoners', de wintermaanden in de kuststrook doorbrachten: een patroon dat we in deze regio ook in meer recente tijden zien. De hoogvlakte is van oudsher een gebied waar kleinvee werd gehouden, zoals blijkt uit de drenkplaats op bovenstaande foto (centraal ongeveer 20 % boven de onderrand, je moet wel de vergroting aanklikken om hem te kunnen onderscheiden) en uit de schaapskooi op de foto hieronder.

Oude schaapskooi bij Palióchora - foto: Jaap-Jan Flinterman zomer 2011

Ook nu nog zie je regelmatig kuddes schapen en geiten (foto hieronder). 

Kleinvee in de hoogvlakte boven Tyrós - foto: Jaap-Jan Flinterman, zomer 2011

Maar een andere agrarische activiteit die tot voor enkele generaties op de hoogvlakte boven Tyrós werd beoefend en die de bewoners van de regio praktisch autark maakte, de verbouw van graan, is in de laatste decennia van de twintigste eeuw vrijwel volledig gestaakt.

De hoogvlakte boven Tyrós - foto: Jaap-Jan Flinterman, zomer 2011

Keer je van de hoogvlakte terug naar de kuststrook, dan heb je een magnifiek uitzicht, op de foto hieronder vanaf het punt waar de weg van Prégasos de rand van de hoogvlakte bereikt: diep beneden je Paralía Tyroú en de Argolische Golf, in de verte de kust van de Argolída en het eiland Spétses.
 
Uitzicht op de baai van Tyrós - foto: Jaap-Jan Flinterman, zomer 2008

Het punt vanwaar bovenstaande foto is genomen, staat op onderstaande still van Google Earth aangegeven als 'Panoramapunt'. Open je de link 'achter' de still in Google Earth, dan zul je zien dat ongeveer op het gemarkeerde punt een pad zich van de weg verwijdert om, aangekomen bij de rand van de hoogvlakte, stijl naar beneden te zigzaggen. Het is het eeuwenoude muildierpad, geplaveid met ronde keien, nu verwoest door de aanleg van een onverharde weg. Wat van het pad resteert is op Google Earth makkelijker terug te vinden dan in het echt. Op de foto onder de still een restant van het pad: van bovenaf zie je met enige moeite de bovenkant van het zorgvuldig opgetrokken muurtje dat het pad aan de buitenkant stutte.

Het panoramapunt boven Tyrós

Resten van het muildierpad van Prégasos naar Tyrós - foto: Jaap-Jan Flinterman, zomer 2011

In 1973 heb ik, tijdens een voettocht over het zuidoosten van de Peloponnesus onder leiding van Herman Hissink (1915-2011: Ας είναι ελαφρύ το χώμα που τον σκεπάζει), destijds leraar Nederlands aan het Christelijk Gymnasium Sorghvliet in Den Haag en ongeëvenaard Griekenlandreiziger, op datzelfde panoramapunt gestaan en ben ik langs dat nu verwoeste muildierpad van de hoogvlakte naar het dorp aan zee afgedaald. De combinatie van het uitzicht en het zigzaggende muildierpad heeft een onuitwisbare indruk bij me achtergelaten: toen ik 35 jaar later voor het eerst weer op hetzelfde punt stond, herkende ik het onmiddellijk.

Terug naar inhoudsopgave



... in  de zuidelijke Párnonas en Leonídio


Een van de dorpen in de zuidelijke Párnonas (satellietfoto) is Áyios Vassílios; hieronder de idyllische platía. Meer foto's zijn hier te vinden. Bij Áyios Vassílios werd volgens Woodhouse (The struggle for Greece) op 22 januari 1949 de sterkste brigade van de DSE op de Peloponnesus uitgeschakeld (blz. 261): "One major battle at Agios Vasileios in Kynouria on 22 January destroyed the strongest brigade of the Democratic Army." De DSE (Dimokratikós Stratós Elládas, het Democratische Leger van Griekenland) was het leger van de communistische zijde in de burgeroorlog. Enkele weken na de slag bij Áyios Vassílios was het regeringsleger de situatie op de Peloponnesus volledig meester.

De platía van Áyios Vassílios - foto: Susanne Feiertag, zomer 2008

Wat gebeurde hier in januari 1949? De beschrijving door Woodhouse ("... destroyed the strongest brigade of the Democratic Army") is vermoedelijk niet van enige overdrijving gespeend. Dat de DSE in de daarop volgende weken als militaire factor van betekenis ten zuiden van de Corinthische Isthmus ophield te bestaan, had vooral te maken met de opbouw op de Peloponnesus als geheel van een overweldigende numerieke en kwalitatieve overmacht door het regeringsleger én met de arrestatie en opsluiting in concentratiekampen, rond de jaarwisseling, van ongeveer 4500 mensen die verdacht werden van sympathie voor de DSE. De gebeurtenissen in het zuiden van Kynouría waren een gevolg van deze ontwikkelingen, ze veroorzaakten die niet. Maar inderdaad leden de communistische partizanen in de regio op 21 en 22 januari 1949 zware verliezen. Informatie over de gebeurtenissen is te vinden in twee Griekstalige artikelen van Kóstas Papadoyiánnis die begin februari 2011 zijn geplaatst op de website www.leonidion.gr. Daarop is de korte samenvatting hieronder gebaseerd.

In de nacht van 20 op 21 januari lanceerden eenheden van de 55ste Brigade van de DSE een aanval op Leonídio, in de hoop daar voorraden buit te maken die het gebrek van de partizanen aan voedsel, kleding en ammunitie zouden kunnen verlichten. Het regeringsleger, de gendarmerie en leden van een burgermilitie boden hardnekkig tegenstand, en hoewel de partizanen uiteindelijk een doorbraak wisten te forceren,  was toen al zo veel tijd verstreken dat zij de terugtocht moesten aanvaarden voordat zij optimaal profijt hadden kunnen trekken van hun kortstondige aanwezigheid in het stadje. De partizanen keerden terug naar hun bases in de zuidelijke Párnonas, met achterlating van acht doden en van één medestrijder die na gevangenneming door een luitenant van het regeringsleger werd doodgeschoten. Van de gewonden die zij op hun terugtocht meenamen, overleed minimaal één aan haar verwondingen. Dat was de slag om Leonídio.

Áyios Vassílios - foto: Jaap-Jan Flinterman, zomer 2013

Het eerste bataljon van de 55ste Brigade van de DSE, dat ongeveer 250 partizanen telde, trok zich terug op Áyios Vassílios (foto hierboven) en bracht daar de nacht van 21 op 22 januari door. De uitgeputte manschappen verzuimden de gebruikelijke veiligheidsmaatregelen in acht te nemen: er werden geen wachtposten uitgezet. Commando's van het regeringsleger, 1200 man sterk, waren na het nieuws over de aanval op Leonídio vanuit Tripoli en Sparta op pad gegaan om de verdedigers van het stadje te hulp te komen. Toen zij in Vamvakoú, een dorp op de westhelling van de Párnonas, aankwamen, was de aanval op Leonídio inmiddels beëindigd. De commando's kregen nu het bevel door het Párnonasgebergte naar Áyios Vassílios te trekken en het dorp te omsingelen. Bij het eerste ochtendgloren van 22 januari werd de aanval op de nietsvermoedende partizanen ingezet. De schrijver van het artikel waaraan ik deze gegevens ontleen, Kóstas Papadoyiánnis, spreekt van 100 gesneuvelde partizanen, 35 gewonden en 60 krijgsgevangenen; een inwoner van Leonídio die op het artikel reageert, Stratís Kouniás, houdt het op ca. 70 gesneuvelden. De verliezen aan de kant van de regeringstroepen bedroegen volgens de schrijver van het artikel zes doden en vijftien gewonden. In de loop van de dag vertrokken de commando's richting Leonídio, met medeneming van hun eigen doden en gewonden, van hun krijgsgevangenen en ook van burgers; vermoedelijk werd het dorp ontruimd. Dat was de slag om Áyios Vassílios. Al met al had het eerste bataljon van de 55ste Brigade van de DSE in een paar uur tijd ongeveer tweederde van zijn sterkte verloren, en een dorp waarop men tot dusverre had kunnen terugvallen, was ontvolkt. De 55ste Brigade telde vier bataljons met in het totaal 850 partizanen, dus van de volledige uitschakeling waar Woodhouse het over heeft, was (nog) geen sprake: de commando's van het regeringsleger lieten de controle over het gebied van de slag dan ook (voorlopig) aan hun tegenstanders. Maar de zware verliezen die de partizanen waren toegebracht in een gebied waar zij zich veilig waanden, zullen het moreel van de DSE op de Zuid-Peloponnesus geen goed hebben gedaan. De onfortuinlijke commandant van het eerste bataljon werd verantwoordelijk gesteld voor de slachting die de commando's onder zijn manschappen hadden aangericht, en kreeg de kogel.

In een artikel van Stratís Kouniás, dat eerder op dezelfde website (www.leonidion.gr) is verschenen, wordt een beeld gegeven van de nadagen van de burgeroorlog in het zuiden van Kynouría. Het artikel gaat over de particuliere centrale die Leonídio van 1925 tot 1967 van electriciteit voorzag. In oktober 1948 pleegden vier partizanen een aanslag op die centrale, en aan het slot van het artikel beschrijft Kouniás hoe het met hen afliep. Vanaf april 1949 opereerden de partizanen die nog actief waren in de regio (en elders op de Peloponnesus), in kleine groepjes; dat was de enige manier om uit handen van de autoriteiten te blijven en aan voldoende levensmiddelen te komen. De afdaling van de negen, een novelle van Thanássis Valtinós, die in Noord-Kynouría speelt, geeft een beklemmend beeld van de vergeefse overlevingstocht van zo'n groepje. De 3de, Peloponnesische, Divisie van de DSE, waarvan de 55ste Brigade deel uitmaakte, heeft in de geschiedschrijving over de burgeroorlog de bijnaam 'De dodendivisie' (I merarchía ton nekrón) gekregen. In de loop van 1949 werden de resterende partizanen systematisch opgejaagd en geliquideerd; de lijken van de commandanten en de hoofden van de 'bandieten' werden tentoongesteld in steden als Trípolis, Kalamáta en Spárti. Van de vier plegers van de aanslag op de electriciteitscentrale in Leonídio overleefden er twee de burgeroorlog. Een van hen was al in januari 1949 bij Áyios Vassílios gevangen genomen, de ander hield zich schuil tot 1950 voordat hij zich overgaf. Van de twee andere werd er een in mei 1949 gedood in een hinderlaag, de ander werd in augustus 1950 gevangen genomen en terechtgesteld, omdat hij een vluchtpoging zou hebben ondernomen. De leiders van wat resteerde van de partizanen in de Párnonas - Vangélis Rongkákos, Yiánnis Phoúrkas en Níkos Látsis - werden in augustus 1949 gedood, zoals beschreven wordt in een recenter artikel van Strátis Kouniás. Rongkákos en Phoúrkas sneuvelden in de streek tussen Paliochóri en Platanáki, in de zuidelijke Párnonas; Látsis (foto) werd daar gevangen genomen, op transport gesteld naar Trípoli, maar onderweg, tussen Kosmás en Geráki, door zijn bewakers omgebracht.

Bij Leonídio staat een monument voor gevallenen aan regeringszijde (foto hieronder): op 21 januari 1949 zes militairen en vier burgers in de slag om Leonídio, op 22 januari 1949 zes doden in de slag om Áyios Vassílios. De sterfelijke voorbijgangers worden aangespoord de knie te buigen 'voor de onsterflijken'.

Monument bij Leonidio - foto: Jaap-Jan Flinterman, zomer 2008

In Áyios Vassílios zelf staan verschillende monumenten voor de andere kant in het conflict. Wie het dorp langs de enige toegangsweg nadert passeert een monument (foto hieronder) dat in 1982 is opgericht door Vangélis Latsis, kapetánios van de tweede compagnie van het achtste regiment van de ELAS van Lakonía en Kynouría, ter nagedachtenis aan de inwoners van Áyios Vassílios die in de jaren 1940-1944 in de strijd tegen de Italiaanse en Duitse bezetters in de gelederen van EAM, ELAS en EPON zijn gesneuveld. Het Ethnikó Apeleftherotikó Métopo (EAM), het 'nationaal bevrijdingsfront' was de communistisch geleide verzetsorganisatie tijdens de tweede wereldoorlog. ELAS staat voor Ellinikós Laikós Apeleftherotikós Stratós ('Grieks Volksbevrijdingsleger', de militaire arm van het EAM), EPON voor Eniaía Panelladiki Orgánosi Néon ('Verenigde Panhelleense Organisatie van Jongeren', de jeugdorganisatie van het EAM). Op de zuil staan overigens ook de namen van soldaten die in het najaar en de winter van 1940/1, vóór de oprichting van het EAM, aan het Albanese front zijn gesneuveld in de oorlog tegen het Italië van Mussolini. En het onderste deel van het monument is gewijd aan de nagedachtenis van andartes ('partizanen') van de DSE die op 22 januari 1949 'op het veld van eer zijn gevallen' in de strijd met de LOK, de Lóchoi Oreinón Katadroméon ('Compagnieën van Bergcommando's'). Er staan een kleine 50 namen op dit deel van het monument, van partizanen uit verschillende plaatsen in Kynouría en Lakonía, zoals Aráchova (Karyés), Brontamás, Kastánia en Levétsova (Krokeés). Vangélis Latsis, die dit monument heeft opgericht, is tevens de auteur van een in 1991 in Athene verschenen boek over de geschiedenis van het achtste regiment, I andártes tou Párnona, 'De partizanen van de Párnonas'.

Monument langs de toegangsweg tot Áyios Vassílios - foto; Jaap-Jan Flinterman, zomer 2010

De tweede compagnie van het achtste regiment van de ELAS van Lakonía en Kynouría wordt op het monument ook aangeduid als de 'Sarriyiánnis-compagnie'. Sarriyiánnis was de partizaan die in juli 1943 leiding had gegeven aan de hinderlaag bij Kosmás die de Italiaanse gouverneur van Trípoli het leven had gekost. Nadien had hij het commando gevoerd over de naar hem genoemde compagnie. In maart 1949, tijdens de burgeroorlog dus, zou hij op de Noord-Peloponnesus de dood vinden; op dat moment had hij sinds november 1948 het bevel gevoerd over de 22ste Brigade, een van de twee brigades van de DSE op de Peloponnesus.

Bij de platía van Áyios Vassílios staat een door de gemeente opgerichte gedenksteen 'voor de strijders van het nationaal verzet en de gevallenen in de burgeroorlog' (foto hieronder). Het 'nationaal verzet' (ethnikí antístasi) verwijst naar het 'nationaal bevrijdingsfront', het EAM. Het gebruik van de term 'burgeroorlog' (emphýlios [polemos]) op een van overheidswege opgericht monument betekent een breuk met het officiële spraakgebruik tot ca. 1980; voordien werd het conflict door de autoriteiten in de regel aangeduid als antisymmoriakós pólemos, de 'oorlog tegen de bendes'. Ook door de iconografie verwijst het monument naar de continuïteit tussen het gewapende verzet van de EAM in de tweede wereldoorlog en de communistische partizanen ten tijde van de burgeroorlog, maar het probeert aanstoot te vermijden door alle slachtoffers van de burgeroorlog te gedenken. 

Monument in Áyios Vassílios voor de strijders van het nationaal verzet en de gevallenen in de burgeroorlog - foto: Jaap-Jan Flinterman, zomer 2008

Het monument hieronder staat ook in het dorpscentrum van Áyios Vassílios. Het is niet van de gemeente, maar van de Arcadische afdeling van de Panellínia Énosi Agonistón tís Ethnikís Antístasis, de Panhelleense Unie van Strijders van het Nationaal Verzet (PEAEA). De belettering is dan ook robuuster en de tekst geharnaster van toon dan op het monument hierboven: "Roem en eer aan de heldhaftige strijders van het EAM-ELAS, de EPON en het Democratische Leger van Griekenland."
 
Monument in Áyios Vassílios voor EAM-ELAS, EPON en DSE - foto: Jaap-Jan Flinterman, zomer 2008

Als buitenstaander kun je over een burgeroorlog misschien maar beter een discreet stilzwijgen bewaren. Het communistisch geleide verzet deed er tijdens de Italiaans-Duitse bezetting in sommige regio's weinig aan om de angst voor communistische overheersing bij landgenoten weg te nemen, en dreef individuen en groeperingen ter rechterzijde soms onnodig in de armen van de bezetters. Even waar is dat rechts zich in de strijd tegen het communisme op ongehoorde schaal van de diensten van (voormalige) collaborateurs heeft bediend. Ο λαός δεν ξεχνά τι σημαίνει δεξιά, 'Het volk vergeet niet wat rechts betekent,' was in de jaren '80 van de vorige eeuw een verkiezingsleus van de PASOK die kennelijk een gevoelige snaar raakte. Daarbij ging het natuurlijk in de eerste plaats om de junta van de jaren 1967 tot 1974, maar dat wil niet zeggen dat de kiezers geacht werden de eerste jaren na de tweede wereldoorlog te zijn vergeten. Wie op zoek is naar een evenwichtige, maar betrokken impressie van die jaren doet er nog steeds goed aan The Flight of Ikaros. Travels in Greece during a Civil War (1959) van Kevin Andrews (1924-1989) te lezen. Andrews bereisde in de jaren van 1948 tot 1951 de Peloponnesus om de middeleeuwse kastelen daar in kaart te brengen. Het resultaat was een wetenschappelijke monografie, Castles of the Morea (1953; revised edition 2006), én The Flight of Ikaros, waarin Andrews zijn reisindrukken boekstaafde. In het voorwoord bij de Penguineditie van 1983 typeerde hij het boek als "an outsider's abrupt and startled experience of a country during a civil war and the beginning of an aftermath it hasn't seen the end of yet." Voor een beklemmend relaas van de effecten op een Grieks dorp van oorlog, bezetting en burgeroorlog kan men terecht bij de website van het dorp Karítsa, in Lakonía, op de zuidwestelijke helling van de Párnonas (satellietfoto). Van die site maakt ook een aantal tweetalige teksten (Grieks-Engels) deel uit. Veel van wat onder die noemer is bijeengebracht kan het best worden getypeerd als 'mondelinge overlevering': ook waar niet alle gegevens verifieerbaar zijn, is de algehele indruk historisch waardevol.  Voor de tweede wereldoorlog 'en wat daarna kwam' zijn vooral 'Black New Year' en 'The life and times of Diamantis Stylianou Hagias' belangrijke teksten.

Kástro tis Paleopanayías - Middeleeuwse vestingtoren - foto: Jaap-Jan Flinterman, zomer 2010

Ongeveer twee kilometer ten zuiden van Áyios Vassílios ligt een heuvel die wordt gemarkeerd door een middeleeuwse vestingtoren (foto hierboven - zie voor meer foto's hier). Lokaal staat de plek bekend als Kástro.
 
Kástro tis Paleopanayías - Resten van een antieke ommuring - Foto: Jaap-Jan Flinterman, zomer 2010

Rond de top van de heuvel zijn de resten van een ommuring uit de Oudheid zichtbaar (foto hierboven). Voor de verandering zijn de geleerden het erover eens dat hier het antieke Glympeís heeft gelegen, een stadje waarom tijdens de Bondgenotenoorlog (220-217 v.Chr.) verschillende keren is gevochten. De plaats wordt behalve door Polybius (4.36 en 5.20) ook vermeld door Pausanias, die een dorp Glyppía noemt (Beschrijving van Griekenland 3.22.8). De antieke benaming heeft zich tot op vandaag de dag gehandhaafd: Faklaris weet te vertellen dat Áyios Vassílios door de bewoners van de streek Lýmpia wordt genoemd, en tot in een recent verleden werd de naam Lýmpia of Lympochória daarnaast ook gebruikt ter aanduiding van de naburige dorpen Platanáki en Paliochóri. Ten tijde van de Griekse onafhankelijkheidsoorlog zou de aanduiding Lympochória mede Kosmás en zelfs Yeráki hebben omvat.

Moní Ayíon Taxiarchón nabij Paliochóri - foto: Jaap-Jan Flinterman, zomer 2011

Ten noorden van de weg van Paliochóri naar Áyios Vassílios ligt een klein verlaten kloooster, gewijd aan de aartsengelen Michaël en Gabriël: Moní Ayíon Taxiarchón (foto hierboven).

Michaël - Fresco boven kerkdeur Moní Ayíon Taxiarchón - foto: Jaap-Jan Flinterman, zomer 2011Gabriël - Fresco boven kerkdeur Moní Ayíon Taxiarchón - foto: Jaap-Jan Flinterman, zomer 2011

Een inscriptie op de drempel van het kerkje noemt 1953 als het jaar van bouw of - waarschijnlijker - restauratie. Misschien zijn in datzelfde jaar de inmiddels alweer verweerde fresco's van de aartsengelen in de nis boven de kerkdeur (foto hierboven) aangebracht of hersteld.

Moní Elónis - foto: Jaap-Jan Flinterman, zomer 2008

Het klooster hierboven, Moní Elónis, is ca. 1500 gesticht, maar sindsdien regelmatig door brand verwoest. Toch is het een be­zoek meer dan waard, niet zozeer vanwege de miraculeuze icoon van de Panayía of vanwege de heilzame werking van het bronwater als wel vanwege de sensationele ligging (link openen in Google Earth), ca. 15 km op de weg van Leonídio naar Kosmás. Fraaie foto's van het klooster zijn hier te vinden. Volgens de schrijvers van de hierboven genoemde teksten over Karítsa (die ik niet op virulent anticommunisme heb kunnen betrappen) werd het klooster in 1944 door EAM/ELAS gebruikt als gevangenis en executieplaats voor tegenstanders van de communistisch geleide verzetsbeweging; Stratís Kouniás spreekt van 'een kamp waar de partizanen zwarthandelaars en collaborateurs vasthielden'.

Leonídio is het voornaamste stadje in het zuiden van Kynouría, zoals Ástros dat is in het noorden. De afgelopen jaren heeft Leonídio een facelift ondergaan door de restauratie van patriciërshuizen als de 'burcht van Tsikaliótis' (foto hieronder) uit de vroege negentiende eeuw, die nu dienst doet als cultureel centrum en tentoonstellingen herbergt. Zie voor een Griekstalige webpagina over dit archondiko, met mooie foto's, hier.

De 'burcht van Tsikaliótis' in Leonídio - foto: Jaap-Jan Flinterman, zomer 2010

De sensationele ligging van het stadje, aan de voet van de rossige 'Tsakonische rotsen', was er natuurlijk altijd al. Ze begrenzen aan de zuidzijde de hoogvlakte achter Tyrós.

Leonodio, aan de voet van de Tsakonische rotsen - foto: Jaap-Jan Flinterman, zomer 2013

Leonídio ligt ongeveer vier kilometer van de kust (satellietfoto), op de plaats waar de canyon van de Dafnónas zich verwijdt tot een vruchtbare vlakte, die in de Oudheid bekend stond als Διόνυσου κῆπος, 'tuin van Dionysus'. Deze benaming hing samen met een mythe die de tweede-eeuwse reiziger Pausanias bij zijn bezoek aan de stad Prasiaí optekende: hier zou Ino de jonge Dionysus na de dood van diens moeder Semele hebben gevoed (Beschrijving van Griekenland 3.24.3-4). Rond 1800 waren welgestelde inwoners van Leonídio zich kennelijk goed bewust van wat Pausanias over de regio had geschreven, want het plafond van de ontvangstruimte van de 'burcht van Tsikaliótis' is gedecoreerd met voorstellingen van Dionysus en Ino.

De kust bij Leonídio - foto: Jaap-Jan Flinterman, zomer 2010

Prasiaí lag overigens dichter bij de kust dan Leonídio, De overblijfselen liggen verspreid op de Áyios Athanásiosheuvel, die zich boven Pláka, het haventje van Leonídio verheft. Op de foto hierboven is de Áyios Athanásios de dichtstbijzijnde heuvel. Op de foto hieronder zijn wat muurresten halverwege de helling net zichtbaar.

Muurresten op de Áyios Athanásiosheuvel boven Pláka - foto: Jaap-Jan Flinterman, zomer 2010

Meer foto's van de resten van Prasiaí kun je hier vinden; prachtige foto's gemaakt tijdens een wandeling naar de top van de heuvel hier, op het weblog Leonidio-Poulithra, 'Fotografische excursies naar een klein paradijs'. Naar deze site heb ik ook hierboven al heb gelinkt voor foto's van Áyios Vassílios en Moní Elónis, maar er is daar nog veel meer moois te vinden over het zuiden van Kynouría. De thuisbasis van de webmaster, Dína Vitziléou, is Poúlithra, een dorpje aan de kust ongeveer 5 km ten zuiden van Pláka. Op een heuvel ten zuiden van Poúlithra liggen resten van een nederzetting uit de periode rond 300 v.Chr. die is geïdentificeerd als Políchne (zie voor de vermelding van deze plaats door de geschiedschrijver Polybius hierboven). De heuvel heet Vígla, naar de middeleeuwse wachttoren die ooit op de top stond. Zelf heb ik er geen foto's van, Dína Vitziléou heeft die wel, hier.

Terug naar inhoudsopgave



... rond het centrale massief van de Párnonas

Rond het centrale massief van de Párnonas vind je bergdorpen als Áyios Pétros, Plátanos, Kastánitsa en Prastós. Tegenwoordig ligt het demografische, economische en bestuurlijke zwaartepunt van de regio in de kustvlaktes, bij stadjes als Ástros en Leonídio, maar dat was vroeger anders: in de Ottomaanse periode was Prastós de belangrijkste nederzetting in de regio, bisschopszetel en, als centrum van een internationaal handelsnetwerk, een van de welvarendste stadjes op de Peloponnesus. Daarin kwam verandering tijdens de onafhankelijkheidsoorlog van 1821. Prastós werd in 1826, net als veel andere plaatsen in het gebied, door de troepen van Ibrahim Pasha verwoest. Leonídio had tot op dat moment gefungeerd als 'dependance' van Prastós, waar de bewoners in de wintermaanden neerstreken; nu werd het hun permanente woonplaats. Tegenwoordig kampen de bergdorpen in de Párnonas met ontvolking, maar in de zomer zijn ze in trek, omdat het er relatief koel is.

Plátanos ligt op ca. 440 meter hoogte in een dal ten noordoosten van het centrale massief van de Párnonas, aan een van de riviertjes die uitmonden in de Vrasiátis. Om het dorp te bereiken neem je de weg vanuit Ástros naar Áyios Pétros, en kiest dan na zo'n 12 km bij een driesprong de richting Plátanos/Sítaina/Kastánitsa. Een wandeling van aan kwartier brengt je vanuit Plátanos bij een traditionele brug, iets ten noorden van het dorp.

Brug bij Plátanos - foto: Jaap-Jan Flinterman, zomer 2013

Daniël Koster typeert Plátanos als 'een wonderschone oase', en dat compliment wordt ruimschoots gerechtvaardigd door de alomtegenwoordigheid van water ...

... de alomtegenwoordigheid van water ... - foto: Jaap-Jan Flinterman, zomer 2013

... en door de dicht beboste omgeving.

In de omgeving van Platanos - foto: Susanne Feiertag, zomer 2013

Van Áyios Andréas leidt een lastige, maar goede weg naar Kastánitsa (foto hieronder), dat op ongeveer 800 meter hoogte aan de voet van het centrale massief van de Párnonas ligt en dat de trotse bezitter van een goed verzorgde website is; je kunt ook de weg via Plátanos vanaf Ástros nemen. Tot enkele generaties geleden verdienden de inwoners van Kastánitsa hun brood met het branden van kalk en houtwinning. Het dorp is nu grotendeels ontvolkt, maar in de zomermaanden zorgen de tijdelijke terugkeer van (nakomelingen van) vroegere inwoners en wat toerisme voor enig leven. Volgens Daniël Koster is Kastánitsa 'het enige dorp in de hele Peloponnesus waarvan de daken vrijwel nog geheel uit leien bestaan'. Het Marken en Volendam-voorgevoel dat de lezer van deze woorden bekruipt, wordt bij het betreden van het centrale plein wel enigszins bewaarheid, maar het opgepoetste en afgestofte aanzien van de platía doet niets af aan de schoonheid van het dorp ...

Kastánitsa, gezien vanaf de burcht van Kapsambélis - foto: Jaap-Jan Flinterman, zomer 2011

... en aan de overweldigende presentie van de bergen rondom.

De hellingen van de Párnonas boven Kastánitsa - foto: Jaap-Jan Flinterman, zomer 2011

Ook al verdient het feit dat zo'n prachtig dorp goed wordt onderhouden alle lof, verval heeft zo z'n eigen esthetiek.

Vervallen huis in Kastánitsa - foto: Jaap-Jan Flinterman, zomer 2011

Het dorp wordt gedomineerd door de restanten van een vestingtoren, de pyrgos van Kapsambélis. Oorspronkelijk telde deze toren, die uit de laat-Byzantijnse periode (14de eeuw) zou stammen, drie verdiepingen. Een plaquette aan de voet meldt dat de pyrgos verwoest is in 1946, tijdens de Griekse burgeroorlog. Over de precieze omstandigheden van de verwoesting bewaart de plaquette het stilzwijgen. Of er een verband bestaat met de namen van tien slachtoffers van de burgeroorlog uit Kastánitsa op een andere plaquette, dit keer op de platía, heb ik niet gevraagd.

De vestingtoren van Kapsambélis - foto: Jaap-Jan Flinterman, zomer 2011

Bij het begin van het pad dat naar de pyrgos van Kapsambélis leidt, nemen we afscheid van Kastánitsa. Reeds hier reikt het uitzicht tot de zee bij Áyios Andréas en daarachter tot de Argolída. We nemen ook afscheid van Kynouría, voorlopig als het aan mij ligt.

Afscheid van Kastánitsa - foto: Susanne Feiertag, zomer 2011


Terug naar inhoudsopgave



Literatuur

Aerts, W. 1984. 'Reizigers in Griekenland', Groniek 1984.1, 54-61. [Zie blz. 59-60 voor een korte uiteenzetting over de signalering van het Tsakonisch door de 17de-eeuwse Turkse reiziger Evliya Tchelebi.]

Aerts, W. 2010. 'Een bijzonder woordenboek: het Tsakonisch lexicon voor kinderen', Lychnari Nummer 5 - 2010, 22-23.

Ameling, W. 2011. 'Die Gefallenen der Phyle Erechtheis im Jahr 490 v.Chr.', Zeitschrift für Papyrologie und Epigrahik 176, 10-23.

Andrews, K. 19842. The flight of Ikaros. Travels in Greece during a civil war, Harmondsworth. [Zie voor de vuile oorlog op de Zuid-Peloponnesus vooral de hoofdstukken 9 en 10 (blz. 141-191). Een heruitgave door Paul Dry Books is in 2010 verschenen.]

Balta, E. 2009. 'Venetians and Ottomans in the Southeast Peloponnese (15th-18th Century), Halil Inalcık Armağanı - I', Tarih Araştırmaları, Ankara, Doğu Batı, 2009, 168-204. [De voorlopige resultaten van een fascinerende studie van een Griekse onderzoekster op basis van Ottomaanse en Venetiaanse belastingregisters, die welsprekend getuigenis afleggen van de relatief grote welvaart en van de demografische bloei van het gebied onder Ottomaans bestuur. Zie voor Tsakonië in de 18de en 19de eeuw ook het artikel H Τσακωνιά στη δεύτερη τουρκοκρατία (1715-1820) op de website www.leonidion.gr. en het hieronder (onder de 'V') vermelde boek van θάνος Βαγενάς.]

Baumer, L.E. 2004. Kult im Kleinen, Ländliche Heiligtümer spätarchaischer bis Hellenistischer zeit: Attika – Arkadien – Argolis – Kynouria, Rahden, Westf. [Over het heiligdom van Apollo Tyrítas]

Böhm, S. 1994. 'Griechische Sepulkralkunst im römischen Klassizismus', Jahrbuch des Deutschen Archäologischen Instituts  110, 405-429. [Over het reliëf NM 1450]

Bon, A. 1969. La Morée franque. Recherches historiques, topographiques et archéologiques sur la principauté d'Achaïe (1245-1430), Paris. [Digitaal raadpleegbaar via de website Cefael, 'Collections de l'Ecole française d'Athènes en ligne'.]

Browning,  R. 1983. Medieval and Modern Greek. Second edition, Cambridge. [Zie blz. 124-125 voor het Tsakonisch.]

Caraher, W.R. 2003. Church, society, and the sacred in early Christian Greece, diss. Ohio State University. [Zie blz. 363 voor de aanwijzingen voor het bestaan van een laat-antieke basiliek op de plaats van Moní Loukoús.]

Charamis, K. 2005. '"Nothing and no one has been forgotten": commemorating those who did not give in during the Greek civil war (1946-1949)', in: Cahiers de la Méditerranée [online], vol. 70. Geraadpleegd 13 mei 2010. [Een studie over vier monumenten die zijn opgericht door de PEAEA, in Volos, Serres, Larissa en op Makronisos.]

Christien, J., Spyropoulos, Th. 1985. 'Eua et la Thyréatide: topographie et histoire', Bulletin de Correspondance Hellénique 109, 455-466.

Φακλάρης, Π.Β. 1990. Αρχαία Κυνουρία. Ανθρωπινή δραστηριότητα και περίβαλλον, Αθήνα. [De meeste gegevens over aardrijkskunde en geschiedenis in het bovenstaande zijn ontleend aan deze standaaardpublicatie over Kynouría in de Oudheid. Het boek bevat trouwens ook nogal wat verspreide informatie over ontwikkelingen in de regio ná de Oudheid. De Engelse samenvatting van het boek is hier op het web gepubliceerd en bevindt zich dus, naar ik aanneem, in het publieke domein. Deze versie is gecheckt met behulp van de originele publicatie; op een enkel punt heb ik de vrijheid genomen een verschrijving te corrigeren.]

Φακλάρης, Π.Β. 1990. 'Η μάχη της Θυρέας (546 π.Χ.). Το πρόβλημα του προσδιορισμού του πεδίου της μάχης', ΗΟΡΟΣ 5 (1987), 101-119. [Betoogt dat de legendarische slag om de Thyreatis tussen Argos en Sparta moet hebben plaatsgevonden "in the Xerokámbi, and in particular at the spot known as Lepidha."]

Goester, Y.C. 1979. 'Kynouria 1976-1978', Hermeneus 51.5, 347-351. [Een voorlopige publicatie van de resultaten van een Utrechts survey-onderzoek in Noord-Kynouría.]

Goester, Y.C. 1993. 'The plain of Astros: a survey', Pharos 1, 39-112. [De uiteindelijke wetenschappelijke verslaglegging van het hierboven genoemde survey-onderzoek. Met name de archeologische site Ellinikó/Tichió, ca. acht km ten westen van Ástros rechts van de weg naar Áyios Pétros, is door de onderzoekers zeer nauwkeurig in kaart gebracht, maar het artikel bevat bijvoorbeeld ook een wat globaler beschrijving van Nisí Ayíou Andréa.]

Grigorakakis, G. 2009. 'New investigations by the 39th Ephorate at Eva in the Thyreatis. A Late Classical burial in the western roadside cemetery',  in: H. Cavanagh, W. Cavanagh, J. Roy (eds),  Honouring the dead in the Peloponnese. Proceedings of the conference held at Sparta 23-25 April 2009. CSPS Online Publication 2, prepared by Sam Farnham, 183-199. [Zie blz. 185 met n. 12  voor de vondst van een tweede dakpan met de aanduiding EYATAN.]

Ιστορικόν σημέιωμα της Ιεράς Μονής Μεταμορφώσεως του Σωτήρος (Λουκόυς), z.j. (2008 of eerder). [Een stichtelijk, maar informatief gidsje uit de kloosterwinkel van Moní Loukoús.]

Jansen, K. 2006. Herodes Atticus und seine τρόφιμοι, Diss. Westfälischen Wilhelmsuniversität Münster.

Karusu, S. 1969. 'Die antiken vom Kloster Luku in der Thyreatis', Römische Mitteilungen 76, 253-265.

Keesling, C. 2012. 'The Marathon casualty list from Eua-Loukou and the Plinthedon style in Attic inscriptions', Zeitschrift für Papyrologie und Epigraphik 180, 139-148.

Kόκκινος φάκελος. Ιστορικό, πολιτικό Blog για την ιστορία της διεθνούς και ελληνικής αριστεράς. Τρίτη, 9 Νοεμβρίου 2010·H 3η Μεραρχία των νεκρών του ΔΣΕ.

Kόκκινος φάκελος. Ιστορικό, πολιτικό Blog για την ιστορία της διεθνούς και ελληνικής αριστεράς. Πέμπτη, 2 Ιανουαρίου 2014· Oι εκκαθαριστικές επιχειρήσεις στην Πελοπόννησο - σύντομο χρονικό.

Koster, D. 2004. Athene en de Peloponnesus. Reisgids, Amsterdam/Antwerpen. [Dé Nederlandstalige reisgids voor de Peloponnesus, inclusief Kynouría.]

Κουνιάς, Στρατής, Η δημιουργία, η ανατίναξη και το τέλος της 'Ηλεκτρικής' Λεωνιδίου, geraadpleegd 2 maart 2011, <http://www.leonidion.gr/2010/11/blog-post_1051.html>

Κουνιάς, Στρατής, Η τελευταία επιδρομή των Γερμανών και η εκτέλεση των 11 στο Λεωνίδιο (6 Ιουλίου 1944), geraadpleegd 12 juli 2011,  <http://www.leonidion.gr/2011/07/11-6-1944.html>

Κουνιάς,  Στρατής, Η μάχη του Κοσμά (27 Ιουλίου 1943), geraadpleegd 27 augustus 2011,
    <http://www.leonidion.gr/2011/07/27-1943.html>

Κουνιάς,  Στρατής, Πολιτικό μνημόσυνο στη μνήμη της οικογένειας Αθηνάς Λάτση, geraadpleegd 18 oktober 2014, <http://www.leonidion.gr/2014/10/blog-post_18.html>

[Stratís Kouniás, die regelmatig historische bijdrages over de jaren '40 van de vorige eeuw verzorgt voor de website www.leonidion.gr, is een interessante persoonlijkheid: statisticus van internationale naam, emeritus-hoogleraar van de Faculteit Wiskunde van de Universiteit van Athene, actief lid van de KKE (de Griekse communistische partij) sinds 1979, van 1994 tot 2002 lid van de gemeenteraad van Leonídio. Over zijn activiteiten als locaal historicus zegt hij zelf: "After 1990 I showed an intense interest for the local history of the 1940-1950 period, taking personal interviews and studying the local press; I have written also relating articles. It was of course a little late because the main leaders had passed away." Ik ontleen deze gegevens aan Statistical Periscope. GSI News Nr. 32 (February 2009), een speciaal nummer 'In honor of Professor Efstratios (Stratis) Kounias'.]

Meyer, H.F. 2002. Von Wien nach Kalavryta. Die blutige Spur der 117. Jäger-Division durch Serbien und Griechenland, Mannheim/Möhnesee. [Over de geschiedenis van de Duitse divisie die in 1943-1944 op de Peloponnesus gelegerd was. Karakteriseert op blz. 402 de Duitse aanval op het Párnonasgebied en Kynouría in juni/juli 1944 als de grootste militaire operatie op de Peloponnesus uit de oorlogsjaren, 'das grösste Unternehmen, welches je auf der Peloponnes durchgeführt wurde.']

'Μνημόσυνο στη μνήμη του Γίαννη Σαρρηγίαννη – 50 χρόνια από το θάνατό του', Ριζοσπάστης 6 Αυγούστου 1999, σελίδα 16.

Nicholas, N.  Tsakonian Bibliography, 2003-2009, geraadpleegd 1 september 2010,
<http://www.tlg.uci.edu/~opoudjis/Work/tsakbib.html#> ["An annotated bibliography of references on Tsakonian. The emphasis is on the Tsakonian language, but I am happy to insert references on Tsakonia in general ..." Bevat, kortom, veel titels die van belang zijn voor de geschiedenis van de regio.]

Παπαδογιάννης, Κώστας Ι., Η μάχη του Λεωνιδίου στις 20 Ιανουαρίου 1949, geraadpleegd 26 februari 2011, <http://www.leonidion.gr/2011/02/20-1949.html>

Παπαδογιάννης, Κώστας I., Η πολύνεκρη μάχη του Αγίου Βασιλείου Κυνουρίας στις 22 Ιανουαρίου 1949, geraadpleegd 26 februari 2011, <http://www.leonidion.gr/2011/02/22-1949.html>

Piérart, M. 2001. 'Argos, Philippe II, et la Cynourie (Thyréatide)', in: R. Frei-Stolba, K. Gex (eds),  Recherches récentes sur le monde hellénistique, Bern-Frankfurt am Main, 27-43.

Pritchett, W.K. 1989. Studies in ancient Greek topography VI, Berkeley-Los Angeles-London, met name 79-101; Studies in ancient Greek topography VII, Amsterdam 1991. [Over de topografie van Kynouría in de Oudheid. Vgl. de recensie van de hand van Graham Shipley, Classical Review 43, 1993, 131-134.]

Rife, J.L. 2008. 'The burial of Herodes Atticus: élite identity, urban society, and public memory in Roman Greece', Journal of Hellenic Studies 128, 92-127.

Shipley, G. 2000. 'The extent of Spartan territory in the late Classical and Hellenistic periods', Annual of the British School in Athens 95, 367-390. [Over de verovering en het latere verlies van Kynouría door de Spartanen en over de topografie van de regio in de Oudheid.]

Shipley, G. 2004. 'Lakedaimon', in: M.H. Hansen, Th. H. Nielsen (eds), An inventory of Archaic and Classical poleis, Oxford, 569-598. [Zie de ingangen voor de verschillende plaatsnamen (Anthana, Prasiae, Tyros enz.) voor korte uiteenzettingen over de topografie van Kynouría in de Oudheid.]

Spyropoulos, G. 2001. Drei Meisterwerke der griechischen Plastik aus der Villa des Herodes Atticus zu Eva/Loukou, Frankfurt am Main enz.

Spyropoulos, G. 2006. Η έπαυλη του Ηρώδη Αττικού στην Εύα/Λουκού Κυνουρίας, Athene. [Deze titel, momenteel uitverkocht, heb ik nog niet gezien.]

Spyropoulos, G. 2009. Οι στήλες των πεσόντων στη μάχη του Μαραθώνα από την έπαυλη του Ηρώδη Αττικού στην Εύα Κυνουρίας, Athene. [Op blz. 34v. n. 1 verwijst de auteur voor een gedetailleerder argumentatie voor zijn hypothese dat de grafheuvel bij Marathon is opgeworpen in de late tweede eeuw, naar een toekomstige publicatie: Η αρχιτεκτονική της έπαυλης του Ηρώδη Αττικού στην Εύα Κυνουρίας. Spyropoulos veronderstelt (blz. 32) dat het proces ten overstaan van Marcus Aurelius in Sirmium in 174 n.Chr. rechtstreeks te maken zou hebben gehad met de overbrenging van kunstschatten en monumenten uit Athene naar de villa bij Ástros. Meer dan een gissing kan dit niet zijn; de schriftelijke bronnen zwijgen over een dergelijk verband.] 

Spyropoulos, Th. Spyropoulos, G. 2003, 'Prächtige Villa, Refugium und Musenstätte. Die Villa des Herodes Atticus im arkadischen Eva', Antike Welt 34, 463-470.

Steinhart, M., Wirbelauer, E. 2000, 'Par Peisistratou. Epigraphische Zeugnisse zur Geschichte des Schenkens', Chiron 30, 255-288. [Bespreken op blz. 265-6 het eerder door Stibbe bediscussieerde wijgeschenk aan Apollo Tyrítas en bekritiseren Stibbes interpretatie van de wij-inscriptie.]

Steinhauer, G. 2009. Marathon and the Archaeological museum, John S. Latsis Public Benefit Foundation. [Zie voor een korte bespreking van de lijst gesneuvelden van de fyle Erechtheis blz. 122.]

Stibbe, C.M. 1991. 'Een curieuze dedicatie', Hermeneus 63.5, 332-336. [Over een wijgeschenk aan Apollo Tyrítas.]

Tobin, J. 1997. Herodes Attikos and the city of Athens. Patronage and conflict under the Antonines, Amster­dam. [Zie blz. 333-354 voor de villa van Herodes bij Ástros.]

Βαγενάς, θάνος 1971. Ιστορικά Τσακωνιάς και Λεωνιδίου, Αθήνα. [Het magnum opus van een toegewijd lokaal historicus.Van Vayenás is onder andere de hypothese dat het tot ca. 1540 heeft geduurd voordat de Ottomanen Kynouría in handen kregen.]  

Walker, I. 1936. Kynouria. Its history in the light of existing remains, Ph.D. University of Columbia, Williamsport, Pennsylvania.  [De typering als "the first study of the region illustrated with many photographs and drawings" is van Yvonne Goester. Biedt beschrijvingen van verschillende sites, o.a. Týros, Áyios Andréas en Ellinikó, en van Moní Loukoús. Vanzelfsprekend gedateerd, maar juist daarom interessant, en soms nog steeds nuttig.]

Woodhouse, C.M. 1976. The struggle for Greece 1941-1949, London. [Zie blz. 261 voor de slag bij Áyios Vassílios op 22 januari 1949. In 2002 herdrukt met een buitengewoon informatieve inleiding van Richard Clogg.]

Kaarten

Mt. Parnon, Anavasi (1:50.000).
Parnonas, Road Editions (1:50.000).


Terug naar inhoudsopgave


Terug naar de beginpagina