| Ca. 2000 v.Chr. | Sprekers van een Indo-Europese taal, de voorloper van het Grieks, vestigen zich op het zuiden van het Balkanschiereiland. |
| 1600-1200 v.Chr. |
Bloeiperiode van de zgn. Myceense beschaving. Op de Peloponnesus en in Midden-Griekenland treffen we in deze periode een aantal paleizen van aanzienlijke omvang aan. Zulke paleizen zijn bekend uit Mycene en Pylos, maar ook in bijvoorbeeld Sparta, Thebe en Athene is hun aanwezigheid aangetoond of in elk geval aannemelijk gemaakt; vermoedelijk omstreeks 1450 v.Chr. veroverden Grieken van het vasteland ook de oudere, 'Minoïsche', paleizen op Kreta, zoals Knossos (zie deze kaart). Vanuit de paleizen werd de economische bedrijvigheid in het omringende territorium gecoördineerd en geëxploiteerd. We hebben hier enig zicht op doordat in verschillende paleizen kleitabletten met administratieve bescheiden zijn gevonden. Vooral de vondst in Pylos (Messenië), vlak voor de Tweede Wereldoorlog, van een complete administratie uit de nadagen van het paleis is van belang geweest, omdat die de definitieve stoot gaf tot de ontcijfering van het syllabische schrift (Lineair B). Dit schrift bleek te zijn gebruikt om een vroege vorm van Grieks te noteren. Onduidelijk is hoe Griekenland in deze periode politiek was georganiseerd. Vormde elk paleis het centrum van een afzonderlijk staatje? Of was er toch sprake van een zekere mate van centraal gezag? |
| 1200-750 v.Chr. |
De Donkere Eeuwen. Hoe dit ook zij, kort na 1200 v.Chr. werden de paleizen verwoest en verlaten. Hun ondergang hing samen met de chaos en ontwrichting die zich in de twaalfde eeuw v.Chr. in alle gebieden rond het oostelijke bekken van de Middellandse Zee voordeden en die vermoedelijk gepaard gingen met volksverhuizingen. Kenmerkend voor de ontwikkelingen in Griekenland in de daaropvolgende eeuwen zijn politieke fragmentatie, bevolkingsdaling, achteruitgang van de materiële cultuur en isolement. Het dieptepunt wordt rond 1000 v.Chr. bereikt. Daarna lijkt het tij te keren, maar de politieke formaties die zich nu voorzichtig beginnen af te tekenen, zijn van (nog) veel bescheidener formaat dan die in de voorafgaande periode. Rond 1000 v.Chr. beginnen Grieken zich te nestelen langs de westkust van Klein-Azië. |
| 750-500
v.Chr. |
In de zogenaamde Archaïsche periode worden de resultaten van de voorzichtige aanzetten in de voorafgaande periode zichtbaar. In de achtste eeuw ontwikkelen locale gemeenschappen zich tot ministaatjes, zgn. poleis ('stadstaten'), waarvan er al spoedig vele honderden zijn. In het verdere verloop van de Archaïsche periode zwermen de Grieken vanuit het moederland en het westen van Klein-Azië uit over de kusten van de Middellandse en Zwarte Zee, waar overal nieuwe poleis worden gesticht: Napels en Marseille zijn, om maar twee voorbeelden te noemen, Griekse stichtingen (zie deze kaart). In de Archaïsche periode begint ook de culturele bloei die in de volgende periode zijn hoogtepunt zal bereiken. Vermoedelijk in de achtste eeuw v.Chr. nemen de Grieken een alfabetisch schrift over van de Feniciërs. De Ilias en de Odyssee, de grote epische gedichten over de Trojaanse oorlog die aan Homerus worden toegeschreven, zijn vermoedelijk rond 700 v.Chr. tot stand gekomen, en de Archaïsche periode is getuige van een snelle ontwikkeling van de beeldhouwkunst en de vaasschilderkunst. |
| 500-336 v.Chr. |
De Klassieke periode. Kort na 500 v.Chr. probeert het Perzische wereldrijk, dat zich uitstrekt van Egypte en de Egeïsche Zee in het westen tot de Indus in het oosten, de Griekse stadstaatjes te onderwerpen. Enkele tientallen poleis onder leiding van Sparta en Athene roepen de Perzische expansie een halt toe (zeeslag bij het eiland Salamis, 480 v.Chr.). Gedurende de rest van de vijfde eeuw v.Chr. speelt Athene - dat sinds 507 v.Chr. een democratische constitutie heeft - de eerste viool binnen een bondgenootschap waarvan veel poleis in het Egeïsche gebied lid zijn, niet altijd geheel vrijwillig. Mede dankzij de bijdragen van deze bondgenoten zijn de Atheners in staat de grandioze showtempels op de Atheense burchtheuvel ('acropolis') te realiseren. Door hun groeiende macht kwamen de Atheners in conflict met Sparta, dat sinds de Archaïsche periode aan het hoofd stond van een eigen bondgenootschap, dat de meeste staten op de Peloponnesus omvatte. Het resultaat was de zgn. Peloponnesische Oorlog (431-404 v.Chr., zie deze kaart). Athene trok aan het kortste eind, maar de Spartanen slaagden er vervolgens niet in hun leidende positie vast te houden. Gedurende de vierde eeuw v.Chr. streden Athene, Sparta en Thebe om de hegemonie in Griekenland. Lachende vierde was het koninkrijk Macedonië onder leiding van Philippus II. Sinds de slag bij Chaeronea in 338 v.Chr. deelden de Macedoniërs de lakens uit in de Griekse wereld. In de Klassieke periode werden vooral in Athene op het gebied van bouwkunst, beeldende kunst, literatuur, welsprekendheid en filosofie prestaties geleverd, die de rest van de Oudheid en daarna als voorbeeldig (‘klassiek’) zouden blijven gelden. Zelfs in een zeer beknopt overzicht als dit mogen de namen van de tragediedichters Aeschylus, Sophocles en Euripides, de beeldhouwer en bouwheer Phidias, de geschiedschrijvers Herodotus en Thucydides, de komediedichter Aristophanes, de redenaar Demosthenes en de filosofen Socrates, Plato en Aristoteles niet onvermeld blijven. |
| 336-30
v.Chr. |
De Hellenistische periode. Philippus II wordt na zijn dood in 336 v.Chr. opgevolgd door zijn zoon Alexander (de Grote), die tijdens zijn regering het Perzische rijk verovert. In 323 v.Chr. sterft hij in Babylon (kaart). Gedurende de rest van de vierde en de derde eeuw v.Chr. verbreiden met Griekse migranten Griekse cultuur en een Griekse way-of-life zich over grote delen van het Midden-Oosten (Klein-Azië, Syrië-Palestina, Egypte, Mesopotamië en nog verder oostelijk). De politieke machtsverhoudingen in de grote Griekse wereld die met de verovering van het Perzische rijk is ontstaan, worden bepaald door koninkrijken die door Alexanders generaals na diens dood worden gesticht. In Griekenland zelf raken in de Hellenistische periode Sparta en Athene wat op de achtergrond. Meer op de voorgrond treden de Aetolische Bond en de Achaeïsche Bond, aan weerszijden van de Golf van Korinthe, maar de voornaamste machtsfactor op de zuidelijke Balkan blijft het koninkrijk Macedonië. Vanaf ca. 200 v.Chr. worden de koninkrijken van Alexanders generaals en hun opvolgers successievelijk onderworpen door de Romeinen, die rond het begin van onze jaartelling het hele Middellandse Zeegebied onder hun heerschappij hebben verenigd (kaart van het Romeinse rijk in 14 n.Chr.). |
| 30
v.Chr.-395
n.Chr. |
De Romeinse periode. In het oostelijke gedeelte van het Romeinse rijk was Grieks de taal van het bestuur en van de maatschappelijke bovenlaag, en dit deel van het rijk werd bijeengehouden door een netwerk van steden (poleis) met een Grieks karakter en Griekse instellingen. In de eerste eeuwen van onze jaartelling beleven deze oostelijke, Griekstalige provincies van het Romeinse rijk een bloeiperiode; dat geldt in het bijzonder voor het westen van Klein-Azië, in mindere mate ook voor een paar steden in Griekenland zelf, vooral Corinthe en Athene. In deze periode maakt een nieuwe religie, het christendom, een bescheiden, maar gestage groei door. De omslag komt in het jaar 312, met de bekering van keizer Constantijn. Voortaan is het christendom een geprivilegieerde in plaats van een vervolgde religie. Tegen het einde van de vierde eeuw worden de traditionele culten voor de goden van het Griekse pantheon, zoals Zeus, Apollo en Dionysus, verboden. Constantijn (de Grote), die in 326 van Byzantium (= Constantinopel, het tegenwoordige Istanboel) de tweede hoofdstad van het Romeinse rijk maakte, is in de Griekse kerk altijd een belangrijke heilige gebleven. Tot op de dag van vandaag is 'Kostas' een van de meest voorkomende jongensnamen; Kostas = Konstandinos = Constantinus = Constantijn. Veelzeggender nog is misschien wel dat de etnische aanduiding die de Grieken sinds de Archaïsche periode voor zichzelf hadden gebruikt, nl. Hellēnes, vanaf de vierde eeuw n.Chr. in onbruik raakt, omdat die te zeer werd geïdentificeerd met het heidendom. Tot de late achttiende/vroege negentiende eeuw noemden de Grieken zich geen Hellēnes, maar Rhōmaioi, goed Grieks voor ‘Romeinen’. Ons ‘Grieken’ is overigens afgeleid van Graeci, en dat was weer de aanduiding die de Romeinen in de Oudheid voor de Grieken hanteerden. |
| 395-1453
n.Chr. |
De Byzantijnse periode. Eind vierde eeuw gaan de oostelijke en de westelijke helft van het Romeinse rijk elk hun eigen weg. Als in de vijfde eeuw het Romeinse Rijk in het westen ten onder gaat, weet het zich in de gebieden rond het oostelijk bekken van de Middellandse Zee te handhaven: wat wij het 'Byzantijnse rijk' noemen werd door de inwoners zelf aangeduid als i Rhōmaikí aftokratoría, goed Grieks voor 'het Romeinse rijk'. Ook in godsdienstig opzicht gingen de wegen uiteen, en in 1054 zou het tot een schisma komen tussen de kerk van Rome en de kerk in het oosten, met het patriarchaat van Constantinopel als voornaamste bisschopszetel. In de zevende eeuw gingen Noord-Afrika en het Midden-Oosten verloren door de Arabische veroveringen; vanaf 1000 brokkelde het rijk in Klein-Azië af door het opdringen van de Turken (kaart). In de dertiende eeuw gingen West-Europeanen ('Franken') er in het kader van de vierde kruistocht (1204) toe over eigen staatjes uit het territorium van het rijk te kerven, en ook de Venetiaanse republiek vestigde er talrijke steunpunten. De Peloponnesus werd geruime tijd beheerst door het vorstendom Achaea, dat werd geregeerd door de dynastie van de Villehardouins; belangrijke Venetiaanse steunpunten waren Methóni en Coróni, in Zuid-Messenië. Monemvasiá, Mistrás en Yeráki, nabij Sparta, vielen in 1262 echter weer in Byzantijnse handen, en in 1430 moesten de laatste Franken de Peloponnesus verlaten. De vreugde zou van korte duur zijn. Het einde van het (restant van het) Byzantijnse rijk kwam in 1453 met de verovering van de hoofdstad Constantinopel door de Ottomaanse Turken. In 1460 was ook de Peloponnesus, op enkele Venetiaanse forten na, in Turkse handen. |
| 1453-1821
n.Chr. |
De Tourkokratia. Griekenland, inclusief de Peloponnesus, bleef tot 1821 deel van het Ottomaanse rijk, zij het dat de Venetianen lang steunpunten in het gebied van de Egeïsche Zee wisten vast te houden en er rond 1700 in slaagden de Peloponnesus ('Morea') voor enkele decennia te heroveren. Onder Turkse heerschappij genoten de orthodoxe Grieken religieuze vrijheid en een aanzienlijke mate van zelfbestuur. Desalniettemin bleef de hoop op bevrijding van de Turkse overheersing levend onder Grieken in het Ottomaanse rijk, die overigens zeker niet alleen in het huidige Griekenland woonden, maar ook talrijk waren in grote delen van Klein-Azië. |
| 1821 - |
Het
moderne Griekenland.
In maart 1821
begon de Griekse
opstand op
verschillende plaatsen op de
Peloponnesus, die al
spoedig geheel in Griekse handen was; Turken en andere moslims
werden
gedood of redden
zich door te vluchten. Interventie van Groot-Brittannië,
Frankrijk en
Rusland ten
gunste van de Grieken (Slag bij Navarino, 1827) leidde in 1832 tot de
vestiging
van een internationaal erkende Griekse staat, die vooralsnog alleen de
Peloponnesus en Midden-Griekenland omvatte, maar die zich tot 1920
gestaag wist
uit te breiden ten koste van het Ottomaanse rijk; zie deze
kaart over de groei van het
territorium van de Griekse staat van 1832 tot 1947. De grootste territoriale winst werd behaald in de zgn. Balkanoorlogen van 1912-1913, toen Montenegro, Servië, Griekenland en Bulgarije eerst de Ottomaanse Turken uit Europa verdreven en vervolgens onderling in conflict raakten om de verdeling van de territoriale buit: de noordelijke prefecturen Epirus en Macedonië (inclusief de tweede stad van Griekenland, Thessaloníki), maken pas sindsdien deel uit van het grondgebied van de Griekse staat, evenals de eilanden Kreta, Samos, Chios, Lesvos, Limnos, Samothraki en Thassos. Een poging in de jaren na de eerste wereldoorlog om het westen van Turkije, waar een grote Griekse bevolkingsgroep woonde, in handen te krijgen liep uit op een militair échec (de zgn. Megáli Katastrofí, 1922); Smyrna, waar een grote minderheid of zelfs een meerderheid van de bevolking Grieks of Armeens was, ging in vlammen op. Bij de daaropvolgende bevolkingsruil werd de orthodoxe bevolking van Klein-Azië (1.100.000 mensen) naar Griekenland en de islamitische bevolking van Griekenland (380.000 mensen) naar Turkije gedeporteerd: het einde van 3000 jaar Griekse aanwezigheid in Klein-Azië. In oktober 1940 raakte Griekenland betrokken in de tweede wereldoorlog door een Italiaanse inval vanuit Albanië. Na aanvankelijk succesvol verzet in de winter van 1940/1 werd Griekenland in het voorjaar van 1941 tot capitulatie gedwongen en bezet door de Duitsers en hun Italiaanse en Bulgaarse bondgenoten. Ook hier voerden de Nazi's hun 'Endlösung der Judenfrage' door. In Thessaloníki bestond een Joodse gemeenschap van ca. 50.000 zielen, die terugging tot de vijftiende eeuw, toen uit Spanje en Portugal verdreven Joden zich in Ottomaans gebied hadden gevestigd. In 1943 werd deze gemeenschap weggevoerd naar Auschwitz-Birkenau. Na de aftocht van de Duitsers en hun bondgenoten in 1944 breekt een conflict uit tussen de door communisten gedomineerde partizanenbeweging EAM-ELAS en de regering, die door Groot-Brittannië wordt gesteund. Dit conflict mondt uit in een burgeroorlog die in 1949, na grootscheepse Amerikaanse interventie, in het voordeel van de rechtse regering wordt beslist. Op de Peloponnesus is in deze jaren zwaar gevochten in de Párnonas en de Taíyetos. Na de repressieve jaren vijftig leek in de jaren zestig aanvankelijk sprake te zijn van een terugkeer van meer normale democratische verhoudingen, maar deze ontwikkeling werd een halt toegeroepen door de coup van 1967, die resulteerde in een zevenjarige militaire dictatuur. In 1974 kwam de junta ten val. In de decennia daarna werd Griekenland beurtelings geregeerd door een van de twee grote partijen, de conservatieve Néa Dimokratía (ND) en de socialistische PASOK. In 1981 werd Griekenland lid van de EU. De financiële crisis die het land sinds 2010 in haar greep houdt, heeft voorlopig een einde gemaakt aan het twee-partijensysteem. Eind 2011 werd een regering van nationale eenheid gevormd, waarin zowel ND als PASOK zitting namen. Bij de verkiezingen van mei 2012 zijn deze partijen, die in 2009 samen nog 77 % van de stemmen haalden, teruggevallen tot 32 % van het electoraat (19 % voor ND, 13 % voor PASOK); de grote winnaar was de radicaal linkse SYRIZA, die met bijna 17 % van de stemmen de tweede partij werd. Omdat het onmogelijk is gebleken om op basis van deze verkiezingsuitslag een nieuwe regering te vormen, werden voor juni 2012 nieuwe verkiezingen uitgeschreven. Bij deze verkiezingen kwam ND met 30 % van de stemmen als grootste partij uit de bus; SYRIZA werd met 27 % tweede, en PASOK viel terug naar 12 %. Op basis van deze uitslag is een regering bestaande uit leden van ND en partijloze technocraten gevormd, die parlementaire steun van PASOK en van een van de kleine partijen geniet. |