

De meest spraakmakende groep in onze bronnen wordt, onvermijdelijk,
gevormd door de maatschappelijke bovenlaag in de steden, waaruit de
magistraten en de leden van de stadsraden werden
gerecruteerd. Vertegenwoordigers van deze bovenlaag slaagden
erin
loyaliteit aan Rome te combineren met een sterk op het roemrijke
klassieke verleden georiënteerde beleving van hun Griekse
identiteit. Deze identiteitsbeleving is een van de twee
thema's die centraal staan in de
artikelen op deze site.
Het
artikel draait om het verhaal van een religieuze
freelancer uit de tweede eeuw die een succesvol orakel stichtte,
Alexander van Abonouteichos; en we kennen het verhaal omdat
het is
verteld door
een geniale satiricus, Lucianus van Samosata. Maar het artikel gaat ook
over de controversiële vraag of de opvattingen die de vroegste
christenen over Jezus van Nazaret formuleerden, wellicht beïnvloed zijn
door heidense voorstellingen. De naam van de orakelgod was overigens
Glycon; het ging om een nieuwe manifestatie van de genezende god
Asclepius, in de gedaante van een slang met gedeeltelijk menselijke
trekken, waaronder twee zeer geprononceerde oren.
Dit artikel droeg de
omineuze titel 'The
bubble of the
Second
Sophistic' en was in 1994 gepubliceerd; Brunts centrale stelling was
dat de tweede sofistiek een in ieder opzicht oninteressant
fenomeen was.
Ik hoop dat de
inleiding
nog van nut kan zijn, als kennismaking met (deze geschriften van)
Lucianus en met de de figuren uit zijn tijd, de tweede eeuw n.Chr., die
hij op de korrel neemt: 'filosofische fantasten, suïcidale cynici en
beunhazen in het bovennatuurlijke'. De
namenlijst waarnaar in de noten bij deze inleiding af en toe wordt
verwezen, is
niet opgenomen. Deze
tekst is mede tot stand gekomen dankzij redactionele
bijstand van Jona
Lendering. Het meer dan verdiende 'Dankjewel, Jona' is er
destijds bij
de afronding van het boek bij ingeschoten; bij dezen alsnog.
en tegelijkertijd de
geadresseerde vorstin probeert te paaien door haar te vergelijken met
Aspasia, de maîtresse van de Atheense politiek leider Pericles.
Hoe
werd de
hulpverlening georganiseerd? Op welke manier pasten mensen
rampen van
deze omvang in in hun wereldbeeld? Resultaat waren de twee
bovenstaande
artikelen. Onvermijdelijk komen ook hier sofisten en
religieuze
charismatici weer aan bod, sofisten in het eerste,
charismatici in het
tweede artikel.
G.E.M.
de Ste. Croix, The
class struggle in the ancient Greek world from the Archaic age to the
Arab conquests
(Londen 1981), 31-69. Ik heb het boek in april 1984 gekocht. Ik had
toen een deeltijdbaantje als docent,
en het kostte bijna 20 % van m'n maandsalaris, maar ik heb er
nooit een moment spijt van
gehad. Ik vind het nog steeds een van de belangrijkste boeken
over
Grieks-Romeinse geschiedenis die in de vorige eeuw zijn geschreven, en
bovendien een van de geestigste. Mijn favoriete citaat maakt deel uit
van een uiteenzetting over de betekenis van de acta van het concilie
van Chalcedon als bron voor sociale geschiedenis (blz. 145-146). Jammer
genoeg, aldus De Ste. Croix, lezen sociaal-historici die acta zelden of
nooit. Eigenlijk worden ze alleen geraadpleegd door kerkhistorici, "and
perhaps not in bulk by many of them, since a large part of the
contents is (or ought to be) rather painful reading for those
of
us who wish to believe that the deliberations and decisions of orthodox
bishops may be expected to reveal the workings of the Holy Spirit."
Enfin, mijn eigen ultrakorte samenvatting van het historisch
materialisme is in hoge mate schatplichtig aan het werk van de in 2000
op 89-jarige leeftijd overleden Britse geleerde, maar een stuk minder
onderhoudend.
In
hoeverre men daarin slaagde kun je lezen in dit artikel, dat
oorspronkelijk werd gepubliceerd in Cahiers over de Geschiedenis van
de CPN
10 (Amsterdam 1985), 9-54. Ik heb van deze herpublicatie op het web
gebruik gemaakt om een aantal hinderlijke zetfouten te
corrigeren.
Wat
doen trouwens al die 'Frankische' en
Venetiaanse kastelen in Griekenland? Waarom zijn de verhoudingen
tussen Grieken en Turken wat minder hartelijk dan je
tussen buren
zou mogen verwachten of in elk geval hopen? En waarom zijn Grieken
allergisch voor Duitse dictaten? In het kader van
een zeer beknopt overzicht
van 4000 jaar Griekse geschiedenis, van 2000 vóór tot 2000 ná
Chr., geeft
deze tekst antwoord op zulke vragen.
It adduces a parallel for a
phrase from the so-called Laodice inscription: an epigraphic dossier
concerning the sale, by the
Seleucid
king Antiochus II to his wife or former wife Laodice, of the village of
Pannucome. The sale
can
be
dated to the year 253 BC; Pannucome was situated in what is now
northwestern Turkey, near the modern city of Gönen. In the 1970's and
1980's
there was some
discussion about the question whether the peasants from the
village were included in the sale. I
thought
(and still think) that they were, and that the parallel adduced in this
note
proves that this is the correct interpretation of the royal letter that
constitutes the central document of the dossier.
Unfortunately, the
misunderstanding I tried to dispel in my 1987 contribution still crops
up
in
items of the standard bibliography on the position of native peasants
in Asia Minor.
That is why I have recently returned to the subject: 'Pannucome revisited: lines
11-13 of the Laodice inscription again', ZPE 181, 2012,
79-87.